Het belang van de waarheidsvinding bij namaakkleding

11-07-2012 Print this page

B9 11451. Rechtbank ’s-Gravenhage, 11 juli 2012, HA ZA 11-449, G-Star c.s. tegen Gedaagden (met dank aan Charles Gielen, NautaDutilh).

Merkenrecht. Verhandeling namaak G-star-kleding via het internet. Aardige inkijk in dagelijkse praktijk van de namaakkledingbranche en de dagelijkse praktijk van de anti-namaakkledingbranche. Over het belang van de waarheidsvinding en het gebruik van bewijs dat (met een verborgen camera) zonder toestemming van betrokkenen is verzameld.

Gedaagden bieden met vermelding van een 06-nummer G-Star kleding aan op het internet. G-Star laat een onderzoek instellen, wat leidt tot het rapport “Onderzoek Vriezeveen”, waarin uitgebreid staat beschreven wie de handelaren zijn en hoe, waar en met welke auto’s zij hun werkzaamheden verrichten. Na een sommatie van G-Star geven gedaagden aan te willen schikken, maar partijen komen niet tot een akkoord.

In het onderhavige geding betwisten gedaagden dat zij de desbetreffende handelaren waren. “V. is van mening dat die persoon inderdaad veel op hem lijkt maar dat hij dat niet is en dat de getoonde persoon een stuk jonger lijkt en er slanker uitziet.” De rechtbank oordeelt echter dat de betwisting van de verschillende door de onderzoeker aangevoerde specifieke feiten en omstandigheden door gedaagden onvoldoende onderbouwd zijn. Ook oordeelt de rechtbank dan van onrechtmatig verkregen bewijs (d.m.v. een verborgen camera) geen sprake is:

4.9. “(…) Indien sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs, brengt dit nog niet automatisch mee dat dit in een civiele procedure als bewijsmiddel moet worden uitgesloten. (…) Het belang van de waarheidsvinding weegt hierbij zwaar. Daarbij neemt de rechtbank in overweging dat de handel in namaakkleding zich voor een belangrijk deel buiten de openbaarheid afspeelt en veelal ontkend wordt, zodat deze in veel geval en niet ken worden bewezen zonder dat over zonder toestemming van betrokkenen verzameld bewijs kan worden beschikt, waaronder  beeld- en geluidsmateriaal.” De rechtbank oordeelt  het belang van de privacy van gedaagden i.c. niet opweegt tegen het belang van de waarheidsvinding.”

Merkinbreuk wordt aangenomen en gedaagden dienen opgave van fabrikanten en leveranciers te overleggen en rekening en verantwoording af te leggen. Het verweer van gedaagden dat zij bij opgave moeten vrezen voor represailles van “de grote jongens achter de illegale kledinghandel” wordt terzijde geschoven als onvoldoende onderbouwd.

De 1019h proceskosten worden vastgesteld op € 25.000,-. “Hoewel de zaak inhoudelijk kan worden gekwalificeerd als een eenvoudige bodemzaak zonder repliek/dupliek en/of pleidooi, ziet de rechtbank in de bewerkelijkheid van de zaak (beslag, ex parte verbod etc) reden deze aan te merken als een overige bodemzaak met repliek en dupliek en/of pleidooi (indicatietarieven IE-zaken). Inclusief de “overige”, niet betwiste kosten, komt de totale proceskostenveroordeling uit op € 57.865,69.

Lees het vonnis hier.