Het bodem kort geding en de perspraktijk

16-10-2013 Print this page
B912568

Otto Volgenant (Kennedy Van der Laan), Het bodem kort geding en de perspraktijk. Een bijdrage aan de bundel "Bodem kort geding", die is verschenen ter gelegenheid van het afscheid van mr. Sjoukje Rullmann.

"Het bodem kort geding beoogt vooral knelpunten in bodemprocedures op te lossen. Kernpunten van het door mr. Rullmann geschetste bodem kort geding zijn het verplichte karakter van een voorlopige beoordeling voorafgaand aan een bodemprocedure, het verkorten van termijnen en het afschaffen van re- en dupliek. Wanneer ik de huidige praktijk van procedures over beweerdelijk onrechtmatige perspublicaties en uitzendingen in ogenschouw neem, komen de volgende gedachten bij mij op.

In perszaken wordt voor het overgrote deel al in kort geding geprocedeerd. Als gezegd loopt dat goed: de Rechtbank is bereikbaar en flexibel, de rechters zijn bekwaam, het Hof is waar nodig bereid om de zaak snel in (turbo)appel te beoordelen, en veel van de richtinggevende arresten van de Hoge Raad op dit gebied zijn in kort geding gewezen.

Nu de huidige procedure van voorlopige voorzieningen voor de perspraktijk adequaat werkt, is de vraag wat de toegevoegde waarde is van een verplicht bodem kort geding in zaken waarbij eiser ervoor kiest om géén voorlopige voorziening te vragen. Hierboven heb ik geïllustreerd waarom eiser soms juist kiest voor een bodemprocedure. Daar kunnen valide redenen voor zijn: de complexiteit van de zaak, het vermijden van nieuwe publiciteit, en de aard van de vordering. Door een voorafgaand bodem kort geding verplicht te stellen wordt eiser een keuze ontnomen die hij nu wel heeft, namelijk de keuze voor een bodemprocedure zonder eerst een kort geding te doen. De rechtspositie van eiser zou daarmee verslechteren.

Bovendien is het bodem kort geding een extra procedure – althans een extra processtap – wanneer eiser juist graag een bodemprocedure wil. Stel dat hij de zaak zo principieel acht dat hij per sé het oordeel van de Hoge Raad c.q. het EHRM wenst, dan heeft hij geen behoefte aan een eerste voorlopig oordeel. Wanneer men de totale rechtsgang tot en met de Hoge Raad c.q. het EHRM in ogenschouw neemt, dan kost een verplichte opmaat van een bodem kort geding voorafgaande aan een bodemprocedure alleen maar extra tijd. Het is dan een extra processtap die de totale procedure eerder compliceert dan vereenvoudigt.

Ik zie nog een ander, implicieter, risico van het institutionaliseren van het verplichte bodem kort geding. Wanneer álle zaken beginnen als bodem kort geding, zal de beoordeling van ‘echte’ spoedeisende zaken – zoals perszaken – mogelijk worden beperkt tot een marginale toets of de gevorderde ordemaatregel, zoals een tijdelijk publicatieverbod, kan worden opgelegd. Er is dan een zeker risico dat er makkelijker een tijdelijk verbod wordt gegeven, omdat het inhoudelijke kort geding kort daarna zal plaatsvinden. De vergelijking met de tijdelijke ex-parte ordemaatregelen in IE-zaken dringt zich op. Wanneer het uitgangspunt zou worden om te zoeken naar een snelle, tijdelijke oplossing, en dan ligt een orde-maatregel als ‘vooralsnog-maar-even-niet-publiceren totdat geoordeeld is dat de publicatie rechtmatig is’ op de loer. Dat zou een ongelukkige ontwikkeling zijn. Iedere beperking van de vrijheid van meningsuiting vergt een gedegen onderbouwing. Laat ik het anders verwoorden. De zorgvuldigheid waarmee op dit moment perszaken in kort geding worden behandeld mag niet onder druk komen door het invoeren van procesrechtelijke wijzigingen. Elk risico dat de Voorzieningenrechter té lichtvaardig een beperking van de vrijheid van meningsuiting oplegt dient te worden vermeden."

Lees hier meer.