Het kansloze karakter van de incidentele vordering

18-10-2012 Print this page

B9 11757. Rechtbank Utrecht, 17 oktober 2012, JA ZA 12-671, O’Neill Europe B.V. tegen Brunotti Europe B.V. (met dank aan Micheline Don, NautaDutilh).

Auteursrecht, althans procesrechtelijk incident in geschil over de gestelde inbreuk door Brunotti op een jas van O'Neill. Brunotti vordert in het incident afgifte van bepaalde bescheiden, waaruit zou blijken war het land van oorsprong van de O’Neill jas is, nu deze dat naar haar mening voor haar verweer essentiële informatie niet zou blijken uit de dagvaarding. De rechtbank merkt deze incidentele vordering echter aan als misbruik van procesrecht. Het is naar oordeel van de rechtbank eenvoudigweg feitelijk onjuist dat niet uit de dagvaarding zou blijken wat het land van oorsprong is (werkgeversauteursrecht O’Neill) en nu bovendien ook niet wordt betwist dat een Nederlander of een in Nederland gevestigde onderneming de maker is, het ook volstrekt irrelevant is wat de plaats en het moment van het uitgeven van O’Neill jas is.

Brunotti had op voorhand had moeten begrijpen dat haar stellingen kansloos waren en de vertraging van bijna een half jaar die de procedure heeft gekost is aan haar te wijten. Naar het oordeel van de rechtbank is het verlenen van akte niet dienen in het onderhavige geval echter  een te zware sanctie, omdat daarmee feitelijk een einde wordt gemaakt aan het debat in de hoofdzaak en aan Brunotti één feitelijke instantie wordt ontnomen. Het belang verdere vertraging te voorkomen wordt, naar mening van de rechtbank,  voldoende gediend bij het beperken van de termijn voor Brunotti om een conclusie van antwoord te nemen (2 i.p.v.6 weken). Art. 1019h wordt we van toepassing geacht (handhavingsgeschil), maar de kostenveroordeling wordt aangehouden tot in hoofdzaak is beslist.

2.7. (…) Daarbij komt dat Brunotti ook niet aan haar incidentele vordering ten grondslag gelegd dat zij de juistheid van de verklaring van Michael Esser [de ontwerper in dienstverband – B9] bestrijdt, maar alleen dat zij twijfels heeft met betrekking tot de plaats en het moment van eerste publicatie van de O’Neill jas. In een geval als de onderhavige waarin niet wordt betwist dat een Nederlander of een in Nederland gevestigde onderneming de maker is van een auteursrechtelijk beschermd werk, is de Berner Conventie niet van toepassing, omdat dit verdrag alleen ziet op internationale situaties. Dit blijkt uit artikel 5 lid 3 van de Berner Conventie waarin is bepaald dat de bescherming in het land van oorsprong wordt geregeld door de nationale wetgeving. Dit wordt bovendien bevestigd door artikel 47 lid 1 van de Auteurswet, waarin is bepaald dat deze wet van toepassing is op alle werken, zowel niet uitgegeven werken of niet conform die bepaling uitgegeven werken, als de maker daarvan Nederlander is. Dit betekent dat de plaats en het moment van het uitgeven van O’Neill jas volstrekt irrelevant is. Dit geldt daarmee ook voor de hoeveelheid door O’Neill (of door andere O'Neill-vennootschappen) uitgegeven jassen.

2.8. Het voorgaande betekent dat Brunotti op voorhand had moeten begrijpen dat de stellingen die zij in de incidentele conclusie van eis heeft genomen en de vordering die zij daarbij heeft ingesteld, kansloos waren. Brunotti heeft dan ook misbruik van procesrecht gemaakt door deze incidentele vordering wel in te stellen.

(...) 2.11. Door het gepleegde misbruik van procesrecht Brunotti geen rechtens te respecteren belang bij behandeling van de incidentele vordering, zodat Brunotti niet ontvankelijk in haar incidentele vordering zal worden verklaard.

2.12. Naar het oordeel van de rechtbank is het verlenen van akte niet dienen in het onderhavige geval als een te zware sanctie te beschouwen, omdat daarmee feitelijk een einde wordt gemaakt aan het debat in de hoofdzaak en aan Brunotti één feitelijke instantie wordt ontnomen. Het belang om verdere vertraging in deze zaak te voorkomen wordt voldoende gediend bij het beperken van de termijn voor Brunotti om een conclusie van antwoord te nemen. De rechtbank zal Brunotti daarvoor een termijn geven van 2 weken (in plaats van de gebruikelijke 6 weken). Ook in het vervolg van de procedure zal de rechtbank geen enkele vertraging van de procedure door Brunotti dulden. Indien nodig zal zij maatregelen nemen om dat te voorkomen (artikel 20 Rv).


Lees het vonnis hier.