B9 11474. Rechtbank ’s-Gravenhage, 16 juli 2012, KG ZA 12-249, [X] en Hairworkss B.V. tegen Gravina BBVA.
Modellenrecht. Haarverlenging en haarverdikking (extensions). Eiseres X. is houdster van een Beneluxmodel en twee ingeschreven Gemeenschapsmodellen voor haarstukkken (afbeeldingen in het vonnis). Eiseressen constateren dat gedaagde Gravina een gesteld overeenstemmend haarstuk aanbiedt op de vakbeurs Hairstyle 2012 in Rotterdam en stellen dat gedaagde hiermee primair inbreuk maakt op haar modelrechten.
De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af. Een haarstukje met een draad is al in het vormgevingserfgoed geopenbaard en kan zeker ter kennis zijn gekomen van ingewijden in de betrokken sector die in de Gemeenschap werkzaam zijn en bovendien geldt dat dit kenmerk uitsluitend door de technische functie is bepaald. Dat de draad ook een esthetische functie zou hebben, is ‘onvoldoende onderbouwd en valt ook overigens niet in te zien.’ De geregistreerde modellen van X. ontberen derhalve een eigen karakter. “Deze stand van zaken voert tot het voorlopig oordeel dat er een serieuze, niet te verwaarlozen kans bestaat dat de daartoe geroepen instantie de Benelux- en Gemeenschapsmodellen van [X] niet geldig zal oordelen.” Van auteursrecht (technische oplossing) of slaafse nabootsing is naar mening van de voorzieningenrechter eveneens geen sprake. 1019h proceskosten (onbetwist): € 10.710,28.
4.6. Niet in geschil is dat de geregistreerde modellen in feite bestaan uit twee uiterlijke kenmerken, te weten de haarweften van het haarstukje en een met het haarstukje verbonden draad waarmee het op het hoofd van de gebruiker kan worden aangebracht. Het ter zitting gevoerde debat heeft zich met name geconcentreerd op de vraag of een haarstukje met een draad in het vormgevingserfgoed is geopenbaard. Daargelaten dat die vraag voorshands bevestigend kan worden beantwoord gezien de publicatie van Ladue waarin een haarstukje met een draad (‘filament’) wordt geopenbaard – vgl. 2.8., en van welke publicatie, anders dan Hairworkxx c.s. heeft aangevoerd, niet aannemelijk is dat deze niet ter kennis kan zijn gekomen van ingewijden in de betrokken sector die in de Gemeenschap werkzaam zijn, geldt dat dit kenmerk uitsluitend door de technische functie is bepaald. De draad dient er immers slechts toe het haarstukje op het hoofd van de gebruiker aan te brengen. Hairworkxx c.s. heeft nog betoogd dat er voor de bevestiging van het haarstukje door middel van een draad voldoende technische alternatieven bestaan, bijvoorbeeld door middel van clipjes, doch voor zover Hairworkxx c.s. hiermee heeft willen betogen dat een technisch kenmerk voor bescherming in aanmerking komt indien er technische alternatieven voorhanden zijn, wordt die stelling vooralsnog onjuist geoordeeld (vgl. HvJ EU 14 september 2010 (Lego/BHIM), IEPT20100914). Dat de draad ook een esthetische functie zou hebben, zoals Hairworkxx c.s. ter zitting nog heeft gesteld, is in het licht van de betwisting door Gravina onvoldoende onderbouwd en valt ook overigens niet in te zien, zodat die stelling wordt verworpen.
4.7. Dat het andere uiterlijke kenmerk van de door [X] ingeroepen modellen, het uiterlijk van de haarweften, al voor de eerste indieningsdatum in het umfeld bekend was, hetgeen [X] zelf overigens ook lijkt te onderkennen, is voldoende aannemelijk geworden. (…) Ofschoon in geschil is of alle voornoemde modellen zijn voorzien van een draad, is tussen partijen niet in discussie dat de geregistreerde modellen van [X] wat de haarweften betreft geen andere algemene indruk wekken dan deze modellen.
4.8. Naar voorlopig oordeel dient er gelet op het vorenstaande dan ook vanuit te worden gegaan dat de geregistreerde modellen van [X] eigen karakter ontberen. Deze stand van zaken voert tot het voorlopig oordeel dat er een serieuze, niet te verwaarlozen kans bestaat dat de daartoe geroepen instantie de Benelux- en Gemeenschapsmodellen van [X] niet geldig zal oordelen. De exceptie van nietigheid welke Gravina in dit kort geding heeft ingeroepen slaagt derhalve. auteursrechtelijke grondslag en slaafse nabootsing
4.9. Langs dezelfde lijn als ten aanzien van de Benelux- en Gemeenschapsmodellen is overwogen, strandt ook het beroep op het auteursrecht omdat niet sprake is van een eigen intellectuele schepping van de maker die de persoonlijkheid van deze laatste weerspiegelt en tot uiting komt door de vrije creatieve keuzen bij de totstandkoming van dat voortbrengsel. Ook langs de weg van het auteursrecht kan een technische oplossing, in dit geval het gebruik van een draad ter bevestiging van het reeds bekende haarstukje aan het hoofd van de drager ervan niet worden beschermd. Bij gebreke van een eigen gezicht in de markt wordt het beroep op slaafse nabootsing voor toewijzing van de inbreukvorderingen eveneens ondeugdelijk geoordeeld.
Lees het vonnis hier.