Het Verdrag van Beijing betreffende audiovisuele uitvoeringen

19-06-2013 Print this page
B912380

AMI 2013, p. 93-106. C.B. van der Net: "Van 20 tot en met 26 juni 2012 vond een diplomatieke conferentie plaats in Beijing. Die conferentie resulteerde, volgens verwachting, in een verdrag dat voorziet in de nabuurrechtelijke bescherming van audiovisuele uitvoeringen. De Europese Unie en de lidstaten zullen het verdrag in de nabije toekomst vermoedelijk gezamenlijk ratificeren en daartoe toetreden. In deze bijdrage wordt stilgestaan bij de inhoud van het nieuwe verdrag (met uitzondering van de administratieve en slotbepalingen). Aangegeven wordt of het acquis communautaire aanpassing behoeft. Uit het verdrag vloeien ook nog verplichtingen voort die niet door het acquis worden afgdekt. Aangegeven wordt of die verplichtingen tot aanpassing van de Wet op de naburige rechten nopen.

[...] Als de Europese Unie en de lidstaten het VvB ratificeren en toetreden, dan behoeft het acquis communautaire aanpassing wat de beschermingsduur van audiovisuele uitvoeringen betreft (artikel 3, eerste lid, van de beschermingsduurrichtlijn is niet overeenstemming met artikel 14 van het VvB). Het moment waarop de beschermingsduur aanvangt verschilt namelijk. Verder zal in Brussel een beslissing moeten worden genomen over de mogelijkheid de toepassing in de tijd te beperken van de door het acquis communautaire bestreken economische rechten (artikel 19 jo artikel 7 tot en met 10). Ten slotte is de afbakening tussen fonogrammen enerzijds en audiovisuele uitvoeringen anderzijds een belangrijk aandachtspunt (artikel 2, onderdeel b, van het VvB). Uit het VvB vloeien ook nog verplichtingen voort die niet door het acquis communautaire worden bestreken. Nederland zal zelfstandig invulling moeten geven aan de toepassingscriteria (artikel 3 van het VvB) en de nationale behandeling (artikel 4 van het VvB). Ook zal zelfstandig een beslissing moeten worden genomen over het al dan niet toepassen van een geheel of gedeeltelijk voorbehoud met betrekking tot het recht betreffende uitzenden en mededelen aan het publiek van vastgelegde audiovisuele uitvoeringen (artikel 11 van het VvB). Naar het zich laat aanzien zal Nederland van de mogelijkheid een algeheel voorbehoud te maken gebruik maken."