P.B. Hugenholtz (IViR), Noot onder Hof van Justitie EU 1 december 2011, gevoegde zaken C-446/09 en C-495/09, (Koninklijke Philips Electronics NV tegen Lucheng Meijing Industrial Company Ltd e.a. en Nokia Corporation tegen Her Majesty’s Commissioners of Revenue and Customs). Gepubliceerd in NJ 2013, afl. 38/39, nr. 408, p. 4605-4617.
"Bovenstaand arrest, gewezen in twee gevoegde zaken, betreft de vraag of de douaneautoriteiten ingevolge de oude APV (Verordening 1383/2003) mogen optreden tegen inbreukmakende goederen die zich in externe transit bevinden. Het gaat hierbij om goederen die niet uit een Unieland afkomstig zijn en evenmin een Unieland als eindbestemming hebben. In de Philips-zaak (C-446/09) ging het om een partij namaak-scheerapparaten afkomstig uit China die in de Antwerpse haven was aangegeven zonder dat het land van bestemming was vermeld. De Nokia-zaak (C-495/09) betrof een zending namaak- telefoons afkomstig uit Hong Kong met bestemming Colombia, die door de Britse douaneautoriteiten op de luchthaven Heathrow was tegengehouden.
Omdat transitgoederen onder de regeling ‘extern douanevervoer’ van het communautair douanewetboek zich rechtens buiten het grondgebied van de Unie bevinden, en rechten van intellectuele eigendom naar hun aard territoriaal beperkt zijn, is het problematisch om in deze situatie van inbreuk te spreken. In een controversieel arrest uit 2004 (HR 19 maart 2004 (Philips/Postech en Princo), IEPT20040419, NJ 2007/585 m.nt. P. Vlas) riep de Hoge Raad om die reden de ‘vervaardigingsfictie’ in het leven: non-communautaire transitogoederen die zich onder Nederlands douanebeslag bevinden dienen bij wege van fictie te worden aangemerkt als goederen die in Nederland zijn vervaardigd. Op grond van deze fictie konden namaakproducten in transit inbreukmakend worden verklaard, en dus op gezag van de rechter worden vernietigd, zonder enige aanwijzing dat zij daadwerkelijk voor de Nederlandse (of Unie-)markt waren bestemd.
Hoewel het arrest van de Hoge Raad gebaseerd was op een eerdere versie van de APV uit 1994, waarvan de tekst voor deze fictie meer steun bood dan de versie van 2003, is de vervaardigingsfictie in Nederland (en incidenteel ook in andere Unielanden) lange tijd vaste rechtspraak gebleven, zelfs nadat uit latere arresten van het Hof duidelijk was geworden dat transito als zodanig geen inbreuk oplevert (HvJEG 18 oktober 2005, zaak C-405/03 (Class International); HvJEG 9 november 2006, zaak C-281/05 (Montex/Diesel)).
In het onderhavige arrest maakt het Hof definitief en zonder omhaal een einde aan de vervaardigingsfictie. Voor toepassing van de APV is niet voldoende dat uit een derde land afkomstige goederen het douanegebied van de EU zijn binnengebracht. Volgens het Hof is tenminste enig bewijs vereist dat de goederen daadwerkelijk in de Unie verhandeld (dreigen te) gaan worden. Het Hof leidt dit af uit enkele overwegingen van de APV, waaruit blijkt dat het doel van de verordening is om “het op de markt brengen” van inbreukmakende goederen te verhinderen en daartoe doeltreffende maatregelen te nemen “zonder dat evenwel de vrijheid van de rechtmatige handel wordt beknot” (r.o. 64). Dat de goederen in de Unie verhandeld gaan worden kan bijvoorbeeld blijken uit op consumenten in de Unie gerichte verkoop, verkoopaanbiedingen of reclame (r.o. 57), of uit andere omstandigheden waaruit zou kunnen blijken dat de goederen worden omgeleid naar de Uniemarkt (r.o. 58). Ten aanzien van de zwaarte van deze bewijsplicht maakt het Hof onderscheid tussen fase 2 (het optreden van de douaneautoriteiten) en fase 3 (de beslissing ten gronde door de rechter)."
Lees de gehele noot hier. Het HvJEU-arrest Philips en Nokia hier.