P.B. Hugenholtz (IViR), Noot onder Hof van Justitie EU 9 februari 2012, zaak C-277/10 (Martin Luksan/Petrus van der Let), verschenen in Nederlandse Jurisprudentie 2013, afl. 16, nr. 196.
"[...] Met het Luksan-arrest zet het Hof een belangrijke nieuwe stap in de judiciële harmoniseringsoperatie (‘sluipharmonisering’) die enkele jaren geleden werd ingezet (zie m.n. zaken C-5/08 (Infopaq), NJ 2011-29/30, nr. 288; C-393/09 (BSA), NJ 2011-29/30, nr. 289; en C-604/10 (Football Dataco), NJ 2012, 433). Met in richtlijnen en preambules gevonden bouwstenen metselt het Hof gestaag verder aan het bouwwerk van het Europese auteursrecht, dat door de Europese richtlijngever onvoltooid was gelaten. In dit tempo kan binnenkort de vlag in top.
Overigens lijken de directe gevolgen van het Luksan-arrest voor het bestaande Nederlandse auteursrecht op het eerste gezicht beperkt. De Nederlandse wet voorziet niet in een cessio legis (al wordt daar vanuit de filmindustrie soms wel op aangedrongen), en de thuiskopievergoeding komt, zoals het hoort, toe aan de filmauteurs. Maar er is niet veel fantasie voor nodig om te bedenken dat de auteursvriendelijke redeneringen van het Hof elders in het Nederlands auteursrecht wel het nodige effect zullen sorteren. Zo staat de bestaande Nederlandse praktijk om het ‘reprorecht’ (de vergoeding voor het fotokopiëren van werken op basis van art. 16h e.v. Aw) forfaitair tussen auteurs en uitgevers te verdelen op gespannen voet met art. 5 lid 2 (a) van de Auteursrechtrichtlijn, ervan uitgaande dat ook deze ‘billijke compensatie’ rechtstreeks aan de auteurs (en dus niet aan de uitgevers) toekomt en dat daarvan evenmin afstand kan worden gedaan.
Het Luksan-arrest roept daarnaast de boeiende vraag op of het vermaledijde Nederlandse werkgeversauteursrecht, dat de werkgever van de in dienstbetrekking scheppende auteur rechtstreeks aanwijst als auteursrechthebbende (en zelfs als auteur), met het unierecht is te verenigen; zie hierover het voortreffelijke commentaar van J.J.C. Kabel in AMI, 2012-5, p. 195-201. Het arrest geeft hoe dan ook een belangrijke impuls aan de wettelijke regeling van het auteurscontractenrecht die in de Tweede Kamer momenteel aanhangig is (Kamerstukken TK 33308). Geheel in lijn met de gedachte van het Hof dat het auteursrecht eerst en vooral een recht is van auteurs, en niet van exploitanten, voorziet het wetsvoorstel in wettelijke maatregelen om auteurs tegen (te) vergaande verlening van exploitatierechten te beschermen, alsmede in een niet voor afstand vatbaar, algemeen recht op een billijke vergoeding."
Lees de noot hier.
P.B. Hugenholtz (IViR), Gezamenlijke noot onder Hof van Justitie EU 15 maart 2012, zaak C-135/10 (Società Consortile Fonografici/Marco del Corso) en Hof van Justitie EU 15 maart 2012, zaak C-162/10 (Phonographic Performance (Ireland) Limited/Ierland), verschenen in Nederlandse Jurisprudentie 2013, afl. 16, nrs. 197 en 198.
"Bovenstaande twee arresten zijn door het Hof van Justitie op dezelfde dag gewezen. Dat is geen toeval. Beide arresten geven uitleg aan het ‘naburige’ recht van uitvoerend kunstenaars en fonogrammenproducenten, in het bijzonder over de vraag wanneer er sprake is van een ‘mededeling aan het publiek’ van een fonogram. Beide arresten hebben bovendien voor enige consternatie gezorgd, mede in verband met hun mogelijke implicaties voor het auteursrecht.
[...] Maar nee. Het Hof stelt voorop dat het begrip ‘mededeling aan het publiek’ waarover het in deze nabuurrechtelijke zaak gaat, niet zonder meer dezelfde betekenis heeft als het gelijkluidende begrip in het geharmoniseerde auteursrecht (ro. 74-76). Het auteursrechtelijke begrip ‘mededeling aan het publiek’ heeft zijn grondslag in art. 3 lid 1 van Richtlijn 2001/29 (de Auteursrechtlijn), terwijl het nabuurrechtelijke begrip gebaseerd is op Richtlijn 2006/115. Hoewel volgens Advocaat-Generaal Trstenjak beide begrippen bij voorkeur ‘parallel’ dienen te worden uitgelegd (para. 114), en in de rechtsleer en -praktijk dikwijls over één kam worden geschoren (zie bijv. Spoor, Verkade & Visser, Auteursrecht, 3e druk, Deventer: Kluwer 2005, p. 655), maakt het Hof hier – naar mijn oordeel terecht – een onderscheid. Naburige rechten zijn weliswaar aan het auteursrecht verwant, maar het zijn geen auteursrechten. Ook de rechtsgronden zijn niet identiek; terwijl het auteursrecht uitingen van menselijke creativiteit beoogt te beschermen en te belonen, dienen de naburige rechten er vooral toe om de (overwegend niet of minder creatieve) prestaties van uitvoerend kunstenaars, fonogrammenproducenten, omroeporganisaties en filmproducenten te beschermen tegen ongeoorloofde reproductie en andere vormen van oneerlijk gebruik. Leistungsschutz (prestatiebescherming), noemen de Duitsers dat. Deze overwegend mededingingsrechtelijke rechtsgrond verklaart waarom de beschermingsomvang van de naburige rechten meer beperkt is dan die van het auteursrecht.
[...] Deze kritiek neemt niet weg dat ik mij in het resultaat van het arrest wel kan vinden. Het vergoedingsrecht van art. 8 lid 2 van Richtlijn 2006/115 is primair bedoeld om te waarborgen dat artiesten en platenfabrikanten een vergoeding ontvangen voor het uitzenden van platen door de radio-omroep. Dit vergoedingsrecht voor ‘secundair gebruik’ geldt weliswaar ook voor andere ‘mededelingen aan het publiek’, maar gezien de overwegend economische ratio van de naburige rechten valt er veel voor te zeggen om deze rechten niet zover op te rekken dat hieronder alle mogelijke (ook marginale) vormen van openbaar muziekgebruik begrepen worden. Dit moge voor naburig rechthebbenden een teleurstellende conclusie zijn, voor het auteursrecht betekent dit dat de gevolgen van het arrest Del Corso misschien nog kunnen meevallen."
Lees de noot hier.