B9 11426. HvJ EU, 5 juli 2012, zaak C‑509/10, Geistbeck & Geistbeck tegen Saatgut-Treuhandverwaltungs GmbH (prejudiciële vragen Bundesgerichtshof, Duitsland).
Kwekersrecht. Arrest m.b.t. tot de vraag welke elementen relevant zijn voor de vaststelling van het bedrag van de „passende vergoeding” die een landbouwer dient te betalen wanneer hij niet heeft voldaan aan zijn informatieverplichtingen (i.c. over aangeplante hoeveelheden) jegens de houder van het kwekersrecht? Kort gezegd dient deze „passende vergoeding” te worden berekend op basis van het bedrag van de vergoeding die in hetzelfde gebied moet worden betaald voor het in licentie produceren van teeltmateriaal van beschermde rassen van het betrokken gewas.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:
1) De „passende vergoeding” die krachtens artikel 94, lid 1, van verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht dient te worden betaald door een landbouwer die door aanplanting verkregen teeltmateriaal van een beschermd ras heeft gebruikt zonder de verplichtingen na te komen die op hem rusten uit hoofde van artikel 14, lid 3, van deze verordening, gelezen in samenhang met artikel 8 van verordening (EG) nr. 1768/95 van de Commissie van 24 juli 1995 houdende vaststelling, overeenkomstig artikel 14, lid 3, van verordening nr. 2100/94, van uitvoeringsbepalingen betreffende de afwijking ten gunste van landbouwers, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2605/98 van de Commissie van 3 december 1998, moet worden berekend op basis van het bedrag van de vergoeding die in hetzelfde gebied moet worden betaald voor het in licentie produceren van teeltmateriaal van beschermde rassen van het betrokken gewas.
2) De betaling van een vergoeding voor de kosten die zijn gemaakt voor het toezicht op de eerbiediging van de rechten van de houder van een kwekersrecht kan niet worden opgenomen in de berekening van de „passende vergoeding” bedoeld in artikel 94, lid 1, van verordening nr. 2100/94.
Lees het arrest hier.