Merkenrecht en vrijheid van meningsuiting: Kanttekeningen bij enkele Belgische beslissingen
19-03-2013 Print this page
BMM Bulletin 2013, p. 8-10, Veerle Raus: “In theorie lijkt het eenvoudig. In geval er betwisting bestaat tussen de vrijheid van meningsuiting en de rechten van een merkhouder, is dat meestal, zoniet altijd, in het kader van een ‘ander gebruik’ van het merk, d.w.z. anders dan ter onderscheiding van waren of diensten. De beoordeling van de merkinbreuk bij een Benelux merk dient dan te gebeuren overeenkomstig artikel 2.20.1.d van het Benelux Verdrag inzake de Intellectuele Eigendom (‘BVIE’). Volgens dit artikel kan de merkhouder op grond van zijn uitsluitend recht iedere derde die niet zijn toestemming heeft verkregen, het gebruik van een teken verbieden wanneer dat teken gebruikt wordt anders dan ter onderscheiding van waren of diensten, indien door dat gebruik, zonder geldige reden, ongerechtvaardigd voordeel wordt getrokken uit of afbreuk wordt gedaan aan het onderscheidend vermogen of de reputatie van het merk. Een mogelijke ‘geldige reden’, is de vrijheid van meningsuiting. Ook in geval de merkinbreuk wordt aangepakt op basis van andere rechtsgronden, zoals onrechtmatige daad of oneerlijke handelspraktijken, kan steeds de vrijheid van meningsuiting, als grondwettelijk recht, ter verdediging ingeroepen worden.
[...]In de praktijk blijkt dit echter niet zo eenvoudig en lijkt de vrijheid van meningsuiting soms al te makkelijk het onderspit te moeten delven voor het merkenrecht zonder dat er sprake is van een grondige analyse conform het afwegingskader van art. 10 EVRM. Twee recente beslissingen tonen dit aan en zullen hierna kort besproken worden. Er dient trouwens opgemerkt te worden dat de Belgische rechtspraak ter zake, nl. art. 2.20.1.d BVIE en vrijheid van meningsuiting, zeer summier is. Dit is misschien meteen één van de verklaringen waarom de rechterlijke beoordelingen in de praktijk vaak erg summier gemotiveerd zijn en bijgevolg vraagtekens kunnen doen rijzen. Er is immers geen rijk uitgewerkt Belgisch jurisprudentieel referentiekader waarop kan teruggevallen worden, zoals dit bijvoorbeeld wel het geval is voor parodie en auteursrechten.
[...]Voormelde beslissingen tonen ook aan dat de afschaffing van het criterium ‘in het economisch verkeer’, dat in alle andere merkenrechtelijke verbodsbepalingen wel aanwezig is, doch in 2004 verwijderd werd voor ‘ander gebruik’ onder sub d, de vrijheid van meningsuiting niet ten goede is gekomen. Waarschijnlijk zouden voormelde beslissingen niet tot hetzelfde besluit zijn gekomen onder de ‘oude’ sub d bepaling, toen ook voor ‘ander gebruik’ vereist was dat dit plaatsvond in een commerciële context. De afschaffing van deze beperking, zou des te meer moeten aanzetten tot een grondige en omzichtige beoordeling van mogelijke beperkingen op de vrijheid van meningsuiting, waarbij toepassing wordt gemaakt van het afwegingskader van artikel 10 EVRM.”