Wijziging van de Wet bescherming persoonsgegevens en de Telecommunicatiewet in verband met de invoering van een meldplicht bij de doorbreking van maatregelen voor de beveiliging van persoonsgegevens (meldplicht datalekken), Vastgesteld 19 mei 2014. Kamerstukken II, 33662, nr. 8.
"De leden van de PvdA-fractie zijn bang dat de nieuwe formulering van de meldplicht in de nota van wijziging ervoor zorgt dat het tijdstip van een melding naar achteren verplaatst wordt, doordat niet meteen bij het ontdekken van een datalek duidelijk is of er daadwerkelijk nadelige gevolgen zijn. Zij vragen bezorgd of de regering deze mogelijkheid ook ziet. Deelt zij de mening dat hiermee de preventieve werking van de meldplicht afgezwakt wordt? Ook maken deze leden zich zorgen over de hogere drempel bij de meldingen, omdat mogelijk voor de betrokken organisatie niet altijd in te schatten is hoe groot het risico voor de bescherming van persoonsgegevens daadwerkelijk is. Graag horen deze leden de mening van de regering hierover.
De leden van de PvdA-fractie maken zich ook zorgen over het schrappen van de meldplicht aan het Cbp indien de gegevens versleuteld zijn. Kan de regering ingaan op de mogelijkheid dat de gegevens door nieuwe technieken alsnog ontsleuteld worden, waardoor een overzicht bij het Cbp van ontvreemde versleutelde datasets van meerwaarde kan zijn voor de bescherming van persoonsgegevens? [...]
De leden van de D66-fractie merken op dat de regering voorstelt om het oorspronkelijke wetsvoorstel te wijzigen en de meldplicht af te zwakken tot die gevallen waarin sprake is van ‘ernstige nadelige gevolgen voor de bescherming van de verwerkte persoonsgegevens’. Met deze wijziging ziet de meldplicht alleen nog op die datalekken waarbij de ernstige nadelige gevolgen zich reeds hebben voorgedaan en niet meer op de gevallen waarbij de ‘aanmerkelijke kans bestaat dat sprake zal zijn van ernstige nadelige gevolgen’. Deze leden merken op dat in de aanmerkelijke kans een redelijke aanleiding lag besloten voor een melding aan de toezichthouder. Zij zijn dan ook verbaasd over de onderhavige inperking, nu deze tot gevolg heeft dat de bescherming van burgers tegen de aanmerkelijke kans van inbreuken op hun persoonsgegevens wordt afgezwakt en er alleen nog zal worden ingegrepen indien het spreekwoordelijke kalf verdronken is. Hoe verhoudt die keuze zich tot de doelstelling van het wetsvoorstel om de gevolgen van een datalek voor betrokkenen zo veel mogelijk te beperken? Op welke wijze genieten burgers dan nog bescherming tegen inbreuken op hun gegevens indien meldingen alleen nog plaats zullen vinden indien de schade al berokkend is?"
Lees hier meer.