Het Solvay-arrest van het Hof van Justitie van 12 juli 2012 (IEPT20120712) is in de NJ gepubliceerd voorzien van noten van De Boer en Gielen.
De Boer:
"[...] Na vergelijking van de feitelijke en juridische context van Roche, Freeport, Painer en Solvay kan ik tot geen andere conclusie komen dan dat het Hof in zijn latere arresten impliciet afstand heeft genomen van Roche. Ik zou niet weten hoe het Hof nu nog zou kunnen vasthouden aan het standpunt dat art. 6 lid 1 geen toepassing kan vinden in geval van parallelle octrooi-inbreuken in verschillende lidstaten omdat daar, gelet op de feitelijke en juridische grondslag van de vorderingen tegen de verschillende gedaagden, geen gevaar voor onverenigbare beslissingen dreigt. Uit Painer blijkt dat zich bij parallelle schendingen van het auteursrecht in verschillende lidstaten wel degelijk ‘eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens’ kan voordoen en dus ook de mogelijkheid van onverenigbare beslissingen. In bovenstaand arrest werd hetzelfde aangenomen voor parallelle octrooi-inbreuken in dezelfde lidstaat. Als we beide uitspraken aan elkaar koppelen, moet hetzelfde gelden voor parallelle octrooi-inbreuken in verschillende lidstaten, de casus die leidde tot de beslissing in Roche.
Daarmee zijn overigens nog lang niet alle vragen rond de toepassing van art. 6 lid 1 beantwoord. Want wat bedoelt het Hof precies met ‘inhoudelijk identieke inbreuken’? Wanneer is er sprake van ‘onafhankelijk van elkaar handelen’? Hoe groot mogen de verschillen tussen de nationale rechts¬regels zijn om nog te kunnen spreken van bepalingen die ‘in hoofdzaak identiek zijn’? Enzovoort. Stof genoeg voor nog een lange reeks prejudiciële beslissingen, vrees ik.
Gielen:
"[...] Deze uitspraak valt naar mijn oordeel toe te juichen. Aldus wordt bevorderd dat de rechter aan de octrooihouder die schade ondervindt van inbreukmakende handelingen op korte termijn een voorziening kan geven, zelfs met gelding buiten het gebied waar hij beslist, zonder dat als gevolg van het meestal ingebrachte nietigheidsverweer de octrooihouder gedurende lange tijd de schadelijke gevolgen van de inbreuk moet aanzien. Het lijdt naar mijn oordeel overigens geen twijfel dat wat het Hof heeft beslist niet alleen geldt bij provisionele voorzieningen in bodemprocedures maar ook in kort geding omdat de ratio die het Hof aan zijn beslissing gaf daar hetzelfde is. Bij dit alles moet in het oog gehouden worden dat met de belangen van de beweerdelijke inbreukmaker voldoende rekening wordt gehouden doordat de (veelal gespecialiseerde octrooi)rechter die een voorlopige maatregel geeft bij een geldigheidsverweer zal onderzoeken of er een redelijke, niet te verwaarlozen kans is dat een bodemrechter het octrooi geheel of gedeeltelijk zal vernietigen. De octrooirechters van de landen waarin de meeste octrooizaken spelen (zoals Duitsland, Engeland, Nederland en Frankrijk) zijn daartoe goed in staat. Bovendien hebben bij wege van voorlopige maatregel gegeven cross border verboden een beperkte duur, nu, gebaseerd op art. 50 lid 6 van de zogenaamde TRIPS-overeenkomst een voorlopige maatregel moet worden herroepen indien niet binnen een redelijke termijn een procedure ten principale is aangevangen.