NJ 2013, 68: Noot Van Engelen bij AGA v Occlutech-arrest Hoge Raad

19-02-2013 Print this page
B912126

Het arrest AGA v Occlutech van de Hoge Raad 25 mei 2012 (IEPT20120525) is in de NJ gepubliceerd voorzien van een noot van van Engelen.

"[...]
De taal is daarbij het gereedschap van de octrooihouder en (vooral) de octrooigemachtigde. Dat het gebruik van bepaalde begrippen dan van groot belang kan zijn, blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat de Nederlandse octrooiwetgever – naar mijn oordeel – ten onrechte het begrip “conclusie” hanteert. De internationaal gangbare, en in het EOV gebruikte, synonieme Engelse, Duitse en Franse begrippen zijn “claims”, “patentanspruch” en “revendication”. Die laten zich naar het mij voorkomt géén van alle vertalen met het begrip “conclusie”, maar staan voor “eis”, “aanspraak” of “opeisen” en geven duidelijk aan dat het gaat om wat de octrooihouder als zijn exclusieve, private domein – afgebakend van het publieke domein – opvordert. Dan spreekt het ook voor zich dat aan de exacte bewoordingen van die eis groot gewicht mag worden toegekend, zoals dat bijvoorbeeld ook geldt voor het petitum van een dagvaarding. Een conclusie is echter vooral een “samenvatting van het voorafgaande.” Bij een samenvatting is duidelijk dat het allemaal niet zo nauw luistert en dat niet de samenvatting zelf, maar uiteindelijk de samengevatte uiteenzetting maatgevend is. Als de conclusie slechts als samenvatting fungeert, dan kunnen de beschrijving van de uitvinding en de tekeningen in het octrooi zelfs belangrijker zijn dan die conclusie, maar dat staat haaks op de centrale plaats die artikel 69 EOV aan de “claims” toekent.
[...]
Beschermingsomvang van Europese octrooien is dus een geharmoniseerd onderwerp. Daarmee rijst direct de vraag hoe datgene wat de Hoge Raad in AGA/Occlutech overweegt zich verhoudt tot wat andere nationale hoogste Europese octrooirechters, zoals het Duitse Bundesgerichtshof of (tegenwoordig) de Engelse Supreme Court daarover gezegd hebben. Het antwoord op die vraag lijkt teleurstellend, omdat de Hoge Raad conform zijn in een lange reeks arresten gevestigde jurisprudentie – teruggaand tot Meyn/Stork (NJ 1989, 506) – vooral een eigen Nederlandse koers vaart en niet deelneemt aan het internationale debat. Dat staat in schril contrast met de arresten van de internationaal toonaangevende Duitse en Engelse octrooirechters, maar ook met de uitspraken van het Haagse Hof en de Haagse rechtbank, die binnen Nederland exclusieve jurisdictie in octrooizaken hebben. [...]. Dat [...] is echter wel een noodzakelijk vereiste, wanneer de Nederlandse octrooirechter zijn door artikel 2(2) en artikel 69 EOV opgedragen plicht niet wil verzaken om er voor te zorgen dat een Europees octrooi in alle landen dezelfde rechtsgevolgen heeft."