NLO: nieuwe regel zaait onduidelijkheid: octrooieerbaarheid planten blijft onzeker

B915040

Print pagina

Bart Swinkels en Stijn van Dongen, NLO: "In 2015 is de grote kamer van beroep van het Europees Octrooibureau (EOB) tot een beslissing gekomen in de zogenaamde Tomato-II en Broccoli-II zaken (G 2/12 en G 2/13). In deze beslissingen werd geoordeeld dat 'plantaardige producten zoals vruchten, zaden en delen van planten octrooieerbaar zijn, zelfs als deze verkregen zijn met werkwijzen van wezenlijk biologische aard, waarbij sprake is van kruisen en selecteren.' Met andere woorden, individuele planten konden worden geoctrooieerd, zelfs als deze op traditionele wijze geteeld waren. Deze beslissing veroorzaakte enige commotie en betekende bij lange na nog niet het einde van de discussie.

Vorige week donderdag, 29 juni 2017, heeft de raad van bestuur van het Europees Octrooibureau (EOB) besloten om de regels voor de octrooieerbaarheid van planten te wijzigen. Onder de nieuwe regels kunnen planten en dieren die exclusief verkregen zijn met een teel- of fokmethode van wezenlijk biologische aard niet meer geoctrooieerd worden. De wijzigingen betreffen regels 27 en 28 en zijn met onmiddellijke ingang (per 1 juli 2017) van kracht (de feitelijke wijzigingen vindt u aan het einde van deze tekst). Deze regels zijn oorspronkelijk tot stand gekomen als gevolg van de implementatie in het EOV van de "Richtlijn van de EU betreffende biotechnologische uitvindingen (98/44/EG)". Indertijd was die EU richtlijn uitgevaardigd om Europese wetgeving op een destijds nieuw terrein te harmoniseren.

Deze beslissing om de regels te wijzigen is genomen op voorstel van het EOB. Het voorstel van het EOB is op zijn beurt weer een reactie op een in november 2016 uitgevaardigde mededeling van de Europese Commissie. In deze mededeling verklaarde de huidige Europese Commissie dat het in haar ogen nooit de bedoeling van de opstellers van de oorspronkelijke richtlijn is geweest om octrooien toe te staan op biologische processen of op producten die door middel van dergelijke processen zijn verkregen. Deze mededeling van de Europese Commissie was een direct gevolg van de eerder genoemde Tomato-II en Broccoli-II zaken.

Het is verrassend dat de EU iets te zeggen wil hebben over het Europees Octrooiverdrag (EOV). Veel van de verdragsluitende landen bij het EOV zijn geen lid van de EU. Omgekeerd zijn sommige lidstaten van de EU geen partij bij het EOV. Het nu aangenomen voorstel van het EOB was ongetwijfeld bedoeld om de uniformiteit van het Europese octrooirecht te bevorderen. Maar gebeurt dit ook?

Onderzoeks- en oppositieprocedures waarop deze regelwijziging mogelijk van toepassing is, zijn al opgeschort sinds november vorig jaar, na de mededeling van de Europese Commissie. Deze zaken zullen geleidelijk aan weer worden hervat en daarbij zal rekening moeten worden gehouden met de nieuwe regels. De onderzoeks- en oppositieafdelingen zullen daarom waarschijnlijk alle conclusies afwijzen op planten/dieren die exclusief verkregen zijn met werkwijzen van wezenlijk biologische aard.

Tegen beslissingen van deze afdelingen kan echter beroep worden aangetekend en dat zal naar alle waarschijnlijkheid ook gebeuren. De kamers van beroep, die de beslissingen in de Broccoli en Tomato zaken hebben genomen, zijn formeel niet door een wijziging van de uitvoeringsverordeningen van het EOV gebonden als zij van mening zijn dat een regel in strijd met een artikel is, Artikelen gaan boven regels. Daarom kunnen de kamers van beroep de regel op grond van artikel 164, lid 2, van het EOV ongeldig en niet-uitvoerbaar verklaren (wat de grote kamer van beroep in G 2/07 al heeft gedaan met regel 25, lid 6, van het EOV, waarin een definitie wordt gegeven van processen van wezenlijk biologische aard). Dit voorrecht van de kamers van beroep geldt ook wanneer een regel uit het EOV in strijd is met de interpretatie van een artikel uit het EOV, waarbij de interpretatie wordt vastgesteld middels een uitspraak van de grote kamer van beroep (zie bijv. T 315/03, punt 5.7).

Samenvattend betekent dit dat er zelfs na wijziging van de regels geen garantie bestaat dat er op het gebied van octrooieerbaarheid uiteindelijk ook iets verandert – een dergelijke garantie kan enkel geboden worden als de artikelen van het EOV worden gewijzigd, of door een nieuwe beslissing van een van de kamers van beroep. De nieuwe regelwijzigingen lijken dus misschien duidelijk, maar in de praktijk dragen ze niet bij tot meer rechtszekerheid op dit gebied. De puzzel van de octrooieerbaarheid van planten die verkregen zijn met werkwijzen van wezenlijk biologische aard is nog steeds niet opgelost. Het gaat interessant zijn om te zien tot welke beslissingen de kamers in de toekomst zullen komen.
 
Regel 27
Octrooieerbare biotechnologische uitvindingen

Biotechnologische uitvindingen kunnen tevens octrooieerbaar zijn, wanneer zij betrekking hebben op:
(a) Onveranderd
(b) onverminderd het bepaalde in regel 28, lid 2, planten of dieren als de uitvoerbaarheid van de uitvinding zich technisch gezien niet beperkt tot een bepaald planten- of dierenras;
(c) Onveranderd.

Regel 28
Uitzonderingen op octrooieerbaarheid

(1) Onveranderd
(2) Overeenkomstig artikel 53, onder b, worden er geen Europese octrooien verleend voor planten of dieren die verkregen zijn met werkwijzen van wezenlijk biologische aard."