Noot Geerts bij Rechtbank Amsterdam IKEA

Print this page 07-09-2017
B915102

Paul Geerts, Universiteit Groningen en bureau Brandeis, Noot onder Rechtbank Amsterdam, ECLI:NL:RBAMS:2017:2513 (IKEA), ook verschenen in IER 2017/40, p. 312-317.

 

"1. In de onderhavige vormgevingszaak heeft eiseres uitsluitend een op art. 6:162 BW gebaseerde slaafse-nabootsingsvordering ingesteld. Eiseres heeft bewust geen beroep gedaan op het auteursrecht omdat een eventuele proceskostenveroordeling op de voet van art. 1019h Rv te grote financiële gevolgen zou hebben (r.o. 3.2).

 

[...]

 

3. Uit het vonnis blijkt dat de rechtbank terughoudendheid betracht bij het toepassen van het slaafse-nabootsingsleerstuk. In r.o. 4.5 en 4.6 lezen wij waarom dat zo is. Kort samengevat:
– het beginsel van vrijheid van handel, bedrijf en creatie staat voorop;
– na het Hyster Karry Krane-arrest van de Hoge Raad zijn ontwerpers (makers) vele helpende handen toegestoken door de wetgever en de rechter. Rechthebbenden staat inmiddels een keur aan intellectuele eigendomsrechten en hieraan verbonden handhavingsmaatregelen ter beschikking;
– hieruit volgt dat de rechter de norm wat onbetamelijk is inzake slaafse nabootsing, terughoudend dient in te vullen;
– daarom biedt het slaafse-nabootsingsrecht alleen bescherming tegen voorzienbare verwarring; – zou dat namelijk niet het geval zijn dan zou feitelijk een monopoliepositie gecreëerd worden ten aanzien van het uiterlijk van een product door bescherming te bieden die niet wezenlijk anders is dan wanneer een beroep wordt gedaan op schending van een recht van intellectuele eigendom;
– dat betekent in het geval een product is ontwikkeld zonder kennis van het eerdere product (niet is ontleend) er geen sprake kan zijn van nodeloze verwarring.

 

4. Nu niet is vast komen staan dat Ikea het ontwerp van de Krusning heeft ontleend aan de Proplamp beslist de rechtbank dat geen sprake kan zijn van nodeloze verwarring en dus van slaafse nabootsing (r.o. 4.12).

 

5. De motivering van de rechtbank overtuigt mij niet. De rechtbank noemt allerlei arresten van de Hoge Raad om haar beslissing kracht bij te zetten, maar vergeet het belangrijkste arrest te noemen, te weten het Borsumij/Stenman-arrest. In dat arrest benadrukt ons hoogste rechtscollege dat anders dan de verlening van een absoluut recht door de wetgever, de in de rechtspraak van de Hoge Raad ontwikkelde bescherming tegen slaafse nabootsing niet een monopoliepositie in het leven roept. Het gaat immers slechts om het verbod verwarring te stichten door na te bootsen op punten waar dat voor de deugdelijkheid en bruikbaarheid van het product niet nodig is. Dientengevolge beperkt deze bescherming de concurrenten niet in hun vrijheid om het product in kwestie te vervaardigen en te verhandelen; zij belet hen enkel daarbij onoirbaar te werk te gaan door onnodig gevaar voor verwarring bij het publiek te scheppen. [...]"

 

Lees de gehele noot hier.