Charles Gielen (NautaDutilh), annotatie bij HR 17 april 2020, Montis (IEPT20200417). Verschenen in NJ (2020/320-322).
"Ik onderschrijf de conclusies van het Hof en vervolgens ook wat het BenGH daarmee doet in zijn eindarrest van 17 juli 2018. Beslist wordt dat als gevolg van het arrest van het HvJEU de door de Hoge Raad gestelde vragen moeten worden beantwoord op grond van autonoom Benelux-recht. Het Unierecht laat de nationale wetgever en dus de Benelux-wetgever een keuze om te bepalen wat te doen met de vóór de inwerkingtreding van de schrapping van de instandhoudingsverklaring (als gevolg van het ontbreken van een dergelijke verklaring) vervallen auteursrechten. Bij het ontbreken van een overgangsrechtelijk regime moet tegen de achtergrond van de beginselen van billijkheid en rechtszekerheid worden beslist dat de schrapping van de instandhoudingsverklaring geen terugwerkende kracht heeft. In het eindarrest worden de klachten van Montis vervolgens verworpen omdat het auteursrecht op de Charly niet is herleefd. Het zal geen verbazing wekken dat de Hoge Raad gelet op de uitspraak van het BenGH, concludeert dat het auteursrecht van Montis niet is herleefd, zodat haar klachten falen.
[..]
12. Al met al blijft Montis met lege handen zitten. Zuur misschien, want uiteindelijk was het allemaal te wijten aan het niet tijdig afleggen van de instandhoudingsverklaring, waarvan achteraf werd vastgesteld dat deze in strijd is met het formaliteitenverbod van de Berner Conventie. De lezer vraagt zich wellicht af: waarom heeft Montis zich niet tevens beroepen op onrechtmatige nodeloze verwarring die door de sterk op de Charly en Chaplin gelijkende producten van Goossens zou worden kunnen worden gesticht? Ten tijde van de oorspronkelijk sommatie was een andere, veel bekritiseerde bepaling van art. 14 lid 5 BTMW, dat cumulatie van modellenrecht en bescherming op grond van oneerlijke mededinging verbood, afgeschaft, en wel tegelijk met de regeling van de hiervoor besproken instandhoudingsverklaring auteursrecht. Verdedigd wordt dat de beperkte duur van modellenbescherming een negatieve reflexwerking heeft op de bescherming op basis van oneerlijke mededinging. Ik wijs onder meer op annotator Verkade in zijn noot onder het Borsumij/Stenman-arrest van de Hoge Raad (IEPT19910531), waarin de Hoge Raad een dergelijke negatieve reflexwerking afwees, gelet op de verschillende aard van bescherming krachtens het modellenrecht enerzijds en de bescherming krachtens oneerlijke mededinging anderzijds. Ik heb verdedigd dat het Borsumij/Stenman-arrest bijval verdient en dat er geen sprake is van negatieve reflexwerking (zie onder meer mijn bijdrage aan de Spoor-bundel, ‘Bescherming tegen nodeloos verwarringsgevaar, ook bekend als bescherming tegen slaafse navolging’, DeLex, 2007, p. 99 e.v.). Ik wil zeker niet bijdragen aan een nog langere strijd ter bescherming van de Charly en de Chaplin, maar als het zo is dat deze producten een eigen gezicht in de markt hebben (want dat is nodig voor een actie tegen het veroorzaken van nodeloos verwarringsgevaar), dan blijft de vraag waarom die weg niet ook is gekozen."
Lees de volledige noot hier.