Gertjan van den Hout, Noot onder Hof Arnhem-Leeuwarden 12 november 2013 (Virtuele Boteringepoort).
"Welke gevolgen mag men nu aan deze uitspraak verbinden? Ik houd het heel goed voor mogelijk dat eigenaren van kunstwerken verplicht kunnen worden deze in stand te houden voor een zeer lange tijd, wellicht tot in het einde der tijden. De onderhoudsverplichting komt pas tot een einde wanneer het belang van de eigenaar om het kunstwerk te vernietigen zwaarder gaat wegen dan het belang van de maker bij instandhouding. Volgens het hof is hiervan pas sprake wanneer de eigenaar zich voldoende heeft ingespannen om het werk te behouden. Dit is – blijkens r.o. 3.16 – bijvoorbeeld het geval wanneer de eigenaar voldoende aannemelijk maakt dat de herstel- en onderhoudskosten aanzienlijk hoger zijn dan de initiële realisatiekosten van het kunstwerk. Als de kosten van onderhoud echter veel lager liggen, dan kan de eigenaar gedwongen kunnen worden het werk in stand te houden. Immers, vernietiging is in een zodanig geval niet mogelijk (want in strijd met art. 3:13 BW) en uit art. 25 lid 1 sub d Aw volgt vervolgens dat instandhouding/herstel nodig is, opdat de eigenaar zich niet schuldig maakt aan misvorming, verminking of andere aantasting van het werk. Dit aspect, namelijk ‘indien geen recht op vernietiging, dan verplicht in stand houden’, wordt ook door Kabel gesignaleerd in zijn noot in AMI onder het vonnis van de voorzieningenrechter.
Zoals ik reeds aangaf in punt 5 gaat dit mij allemaal veel te ver. Ik ben de mening toegedaan dat het hof een veel te beperkte uitleg geeft van het begrip ‘gegronde reden’ uit Jelles/Zwolle. Daar komt bij dat de Hoge Raad heeft aangegeven dat een gegronde reden slechts ‘onder omstandigheden’ hoeft te bestaan. Door het niet aanhalen ervan lijkt het hof aan deze voorwaarde, anders dan de voorzieningenrechter, compleet voorbij te gaan (vgl. r.o. 3.11). Er is mij overigens geen jurisprudentie bekend waarin deze voorwaarde wél expliciet aan de orde is gekomen. Toch dient mijns inziens onverkort te worden aangenomen dat de bevoegdheid tot vernietiging het uitgangspunt is en dat de eigenaar slechts de aanwezigheid van een gegronde reden hoeft aan te voeren ‘onder bepaalde omstandigheden’ [gecursiveerde toevoeging, GvdH]. Van dergelijke omstandigheden kan bijvoorbeeld sprake zijn als de eer en goede naam van de kunstenaar in het geding is of als het te vernietigen object tevens een uniek, auteursrechtelijk beschermd werk is. Niettemin kunnen makers van kunstwerken met het onderhavige arrest in de hand betogen dat misbruik van recht jegens hen wordt gemaakt indien de onderhoudskosten van het werk relatief laag zijn."
Lees de gehele noot hier.