Noot onder HvJEU 25 oktober 2012, zaak C-133/11 (Folien Fischer/Ritrama)

27-09-2013 Print this page
B912535

Daan de Lange (Brinkhof), Noot onder Hof van Justitie EU 25 oktober 2012, zaak C-133/11 (Folien Fischer/Ritrama).

"[...] Hoe moet nu in de praktijk een rechter bij wie een negatieve declaratoire vordering wordt ingesteld, vaststellen of hij volgens de regels van het EEX internationale rechtsmacht heeft? Strikt genomen zal een rechter op basis van de in de dagvaarding aangedragen omstandigheden meestal niet tot het oordeel kunnen komen dat zijn grondgebied kwalificeert als Handlungs- of Erfolgsort. Immers, de eiser bij een negatieve declaratoire vordering zal meestal betogen dat er juist geen schade veroorzakende gebeurtenis is geweest en/of er geen schade is. Er is dus ook geen Handlungs- of Erfolgsort en bijgevolg is er dus zelden internationale rechtsmacht op grond van art. 5(3) EEX bij een negatieve declaratoire vordering. Dit lijkt mij een onjuiste toepassing van het arrest.


Het andere uiterste is wanneer een rechter zijn rechtsmacht bij een negatieve declaratoire vordering zou mogen baseren op de stelling dat zich in zijn lidstaat geen schade veroorzakende gebeurtenis of schade zich heeft voorgedaan. Dit lijkt mij evenmin juist. Dit zou tot een onaanvaardbaar aantal mogelijke bevoegde fora leiden. Stel bijvoorbeeld dat een Frans bedrijf een Portugese onderneming beschuldigt van het verstoren van de mededinging op de Spaanse markt, waar beide actief zijn. De Portugese onderneming ontkent mededingingsbeperkende handelingen te hebben verricht. Het logisch gevolg is dat zich (ook) geen schade heeft voortgedaan, in geen van de lidstaten. Kan de Portugese onderneming zich dan (ook) wenden tot gerechten van bijvoorbeeld Finland met de stelling dat daar (ook) geen schade heeft plaatsgevonden? Ik meen van niet.

Naar mijn mening is de strekking van het Folien Fischer-arrest dat voor de laedens dezelfde fora openstaan op grond van art. 5(3) EEX als voor de gelaedeerde. Niet meer, maar ook niet minder. Steun daarvoor vind ik onder meer in het hierboven besproken nr. 52 van het arrest. Het HvJ stelt dat de rechter van het Handlungs- en Erfolgsort internationale rechtsmacht heeft, ongeacht de processuele rollen die de (vermeende) gelaedeerde en laedens innemen(eiser of gedaagde). De plaats van het schadebrengende feit moet dus in beide situaties hetzelfde zijn. Bij de beoordeling van zijn rechtsmacht moet de rechter derhalve abstraheren van de processuele rollen en teruggrijpen op het feitencomplex van het onderliggende onrechtmatige- daadsgeschil."

Lees de gehele noot hier. Het arrest hier.