Noot van Engelen bij Organik v Dow Chemical

Print this page 04-09-2019
B915835

Dick van Engelen (Ventoux) “Het achterhalen van geheim bewijs van een geheime inbreuk op een bedrijfsgeheim”. Noot bij Hoge Raad 28 september 2018 Organik v Dow Chemical (IEPT20180928). Verschenen in Ars Aequi september 2019 (687-693).

 

“Dow vordert in kort geding – voordat in een bodemprocedure is beslist of Organik wel of niet onrechtmatig heeft gehandeld – inzage. Mocht de bodemrechter uiteindelijk oordelen dat Dow geen beschermenswaardige bedrijfsgeheimen had of dat Organik daar geen onrechtmatig gebruik van heeft gemaakt – dan heeft Dow met die inzage ten onrechte kennis kunnen nemen van wat wellicht beschermenswaardige bedrijfsgeheimen zijn. De door de rechter in kort geding te beantwoorden vraag is dus of het wel aannemelijk is dat Organik onrechtmatig zou kunnen hebben gehandeld en welke maatstaf daarbij gehanteerd dient te worden. Die vraag had de Hoge Raad – binnen de context van artikel 1019a Rv inzake de handhaving van intellectuele eigendomsrechten – al beantwoord in het arrest AIB v Novisem van 2015 en Synthon v Astellas van 2016. Het arrest Dow v Organik leert dat diezelfde maatstaf ook geldt voor niet-IE-zaken. Die arresten leren dat het uitgangspunt daarvoor is dat de mate van aannemelijkheid van onrechtmatig handelen lager is dan vereist is voor toewijzing van een voorlopige voorziening in kort geding. Dat is een duidelijke vingerwijzing van de Hoge Raad. Voor het overige moet de lagere rechter het doen met de weinig verrassende aanwijzing dat ‘daarbij de stellingen en verweren van partijen en de overtuigingskracht van het eventueel reeds overgelegde bewijsmateriaal dienen te worden betrokken’. Voor wat betreft dat laatste schept de Hoge Raad ook in het Dow-arrest niet meer duidelijkheid.[…]

 

Ik heb de indruk dat hierin vooral gelezen dient te worden dat de Hoge Raad een ruime discretionaire bevoegdheid toekent aan de feitenrechter en vooralsnog geen aandrang heeft om die feitenrechter te gaan micromanagen. Nu de praktijkervaring met dit onderwerp beperkt is, en het onvermijdelijk is dat de aannemelijkheid van onrechtmatigheid in grote mate afhankelijk is van een waardering van de feiten door de feitenrechter, lijkt het mij verstandig dat de Hoge Raad die feitenrechter de nodige manoeuvreerruimte geeft. Aldus kan de nodige praktijkervaring worden opgedaan, voordat wellicht meer concrete criteria kunnen c.q. moeten worden geformuleerd.

 

Deze procedure laat zien dat procederen over bedrijfsgeheimen gepaard gaat met lastige juridische dilemma’s en gekenmerkt wordt door de nodige procesrechtelijke hindernissen. Om te waarborgen dat een benadeelde partij dan toch binnen een redelijk termijn ‘zijn recht kan halen’ zonder dat de aangesproken partij door het uit de kast gehaalde ‘processuele geweld’ wordt ‘platgewalst’ dient de rechter enerzijds een goed juridisch inzicht te hebben, maar anderzijds ook praktisch te zijn en weten aan te pakken. Dat is dus een uitdagend terrein voor rechters en advocaten. De amper een maand na dit arrest van 28 september 2018 op 23 oktober 2018 in werking getreden Wet Bescherming Bedrijfsgeheimen en de achterliggende Europese Bedrijfsgeheimenrichtlijn zullen de komende jaren goed zijn voor de nodige door de rechtspraak op te lossen puzzels. Zo leert bijvoorbeeld het vonnis van de Rechtbank Midden-Nederland van 8 augustus 2018 in de zaak Wärtsilä v Aegir dat het auteursrecht ook een belangrijk wapen kan zijn in de strijd tegen ongeautoriseerde verspreiding van bedrijfsgeheimen en een additionele mogelijkheid voor het leggen van (bewijs)beslag kan opleveren. In combinatie met het voorliggende conceptwetsvoorstel tot aanpassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, dat ten doel heeft het bewijsrecht te vereenvoudigen en te moderniseren, levert dat de nodige onderwerpen voor nader (scriptie-)onderzoek op.

 

Lees de volledige noot hier.