B912441
Paul Geerts (Universiteit Groningen), Noot onder Hof Leeuwarden 10 juli 2012 (Beeldcitaat). Eerder verschenen in IER 2013/24, p. 213-222.
"Om te beginnen vereist de aanhef van art. 15a Aw dat in een serieuze context geciteerd moet worden. Het hof oordeelt in r.o. 15 terecht dat aan dit vereiste is voldaan: de verslaglegging over de jaarlijkse FESPA Awards in een vaktijdschrift moet voldoende serieus worden geacht. Ik schrijf terecht, met name omdat volgens de gezaghebbende auteurs Spoor/Verkade/Visser het aannemelijk is dat iedere uiting die inhoudelijk min of meer serieuze informatie beoogt over te brengen onder het contextvereiste van de aanhef van art. 15a Aw valt. Ik vaar graag op hun veilige kompas, maar wellicht is hier toch nog enige behoedzaamheid geboden. Art. 15a Aw is immers een uitwerking van art. 5 lid 3 sub d ARl. Dat betekent dat wij ook op dit punt ‘overgeleverd’ zijn aan de uitleg die het HvJ EU aan dit artikel zal geven. In het Painer-arrest is art. 5 lid 3 sub d ARl al aan de orde geweest, echter niet op dit punt. In haar conclusie laat A-G Trstenjak zich in nr. 210 hierover wel uit: “Het begrip ‘citaat’ wordt in de richtlijn niet gedefinieerd. Volgens het normale spraakgebruik is er sprake van een citaat indien het gedachtegoed van een ander in ongewijzigde vorm en herkenbaar wordt weergegeven. Zoals blijkt uit de in artikel 5, lid 3, sub d, van de richtlijn genoemde voorbeelden, volgens welke het moet gaan om citaten ten behoeve van kritieken of recensies, is dit op zich niet voldoende. Er moet integendeel ook sprake zijn van een inhoudelijke terugkoppeling naar het geciteerde werk, in de vorm van een beschrijving, een commentaar of een beoordeling. Het citaat moet derhalve de basis voor een betoog vormen”.
Dit lijkt op een behoorlijk restrictieve uitleg van het citaatbegrip en ik vraag mij af of de ruime opvatting van Spoor/Verkade/Visser in de benadering van de A-G niet te ruim is. Wat rechtens is zullen wij pas echt te weten komen als het HvJ EU zich over deze kwestie uitspreekt. Ondertussen zou ik mij willen scharen bij de schrijvers die pleiten voor een flexibele toepassing van beperkingen in het auteursrecht. Weliswaar heeft het HvJ EU beslist dat de beperkingen eng uitgelegd moeten worden, maar het heeft daaraan inmiddels ook toegevoegd dat zulks niet wegneemt dat er bij de uitlegging van de beperkingen ook voor moet worden gezorgd dat de nuttige werking van de aldus vastgestelde uitzondering behouden blijft en het doel ervan wordt geëerbiedigd. Dat biedt voldoende perspectief. Ik sluit dit punt echter af met een dooddoener: de tijd zal het leren."
Lees de gehele noot hier.
"Om te beginnen vereist de aanhef van art. 15a Aw dat in een serieuze context geciteerd moet worden. Het hof oordeelt in r.o. 15 terecht dat aan dit vereiste is voldaan: de verslaglegging over de jaarlijkse FESPA Awards in een vaktijdschrift moet voldoende serieus worden geacht. Ik schrijf terecht, met name omdat volgens de gezaghebbende auteurs Spoor/Verkade/Visser het aannemelijk is dat iedere uiting die inhoudelijk min of meer serieuze informatie beoogt over te brengen onder het contextvereiste van de aanhef van art. 15a Aw valt. Ik vaar graag op hun veilige kompas, maar wellicht is hier toch nog enige behoedzaamheid geboden. Art. 15a Aw is immers een uitwerking van art. 5 lid 3 sub d ARl. Dat betekent dat wij ook op dit punt ‘overgeleverd’ zijn aan de uitleg die het HvJ EU aan dit artikel zal geven. In het Painer-arrest is art. 5 lid 3 sub d ARl al aan de orde geweest, echter niet op dit punt. In haar conclusie laat A-G Trstenjak zich in nr. 210 hierover wel uit: “Het begrip ‘citaat’ wordt in de richtlijn niet gedefinieerd. Volgens het normale spraakgebruik is er sprake van een citaat indien het gedachtegoed van een ander in ongewijzigde vorm en herkenbaar wordt weergegeven. Zoals blijkt uit de in artikel 5, lid 3, sub d, van de richtlijn genoemde voorbeelden, volgens welke het moet gaan om citaten ten behoeve van kritieken of recensies, is dit op zich niet voldoende. Er moet integendeel ook sprake zijn van een inhoudelijke terugkoppeling naar het geciteerde werk, in de vorm van een beschrijving, een commentaar of een beoordeling. Het citaat moet derhalve de basis voor een betoog vormen”.
Dit lijkt op een behoorlijk restrictieve uitleg van het citaatbegrip en ik vraag mij af of de ruime opvatting van Spoor/Verkade/Visser in de benadering van de A-G niet te ruim is. Wat rechtens is zullen wij pas echt te weten komen als het HvJ EU zich over deze kwestie uitspreekt. Ondertussen zou ik mij willen scharen bij de schrijvers die pleiten voor een flexibele toepassing van beperkingen in het auteursrecht. Weliswaar heeft het HvJ EU beslist dat de beperkingen eng uitgelegd moeten worden, maar het heeft daaraan inmiddels ook toegevoegd dat zulks niet wegneemt dat er bij de uitlegging van de beperkingen ook voor moet worden gezorgd dat de nuttige werking van de aldus vastgestelde uitzondering behouden blijft en het doel ervan wordt geëerbiedigd. Dat biedt voldoende perspectief. Ik sluit dit punt echter af met een dooddoener: de tijd zal het leren."
Lees de gehele noot hier.
Paul Geerts (Universiteit Groningen), Noot onder Hof 's-Hertogenbosch 29 januari 2013 (Melano/Quiges Fashion Jewels). Eerder verschenen in IER 2013/25, p. 222-228.
"Het hof neemt tot uitgangspunt dat de slaafse nabootsingsjurisprudentie van de Hoge Raad alleen bescherming biedt tegen degene die zelf nabootst, dan wel daartoe opdracht geeft. Over dit oordeel van het hof kan ik kort zijn: het is een misvatting.
[...]In het onderhavige arrest is sprake van het misverstand waarvoor Gielen heeft gewaarschuwd. Het kan dus geen kwaad die waarschuwing hier nog eens te herhalen, met name ook omdat de redenering van het hof wel vaker wordt gevolgd. Gelukkig niet heel vaak, maar wel eens. Ik heb in ieder geval nog de volgende twee uitspraken gevonden: Vzr. Rb. Utrecht 27 april 2007, IEF 3893 (Heering/Milin) en Rb. Arnhem 29 september 2010, IEF 9126 (Zijlstra/Rolf Benz)."
Lees de gehele noot hier.