Over (intellectuele) eigendom en evenementen van aanzienlijk belang

12-12-2012 Print this page

B9 11943. Hof van Justitie EU, conclusie A-G Jääskinen, 12 december 2012, gevoegde zaken C-201/11 P, C-204/11 P en C-205/11 P, UEFA en FIFA  tegen Europese Commissie.

“Het is echter van belang eraan te herinneren dat, zoals het Hof heeft geoordeeld in de gevoegde zaken FAPL en Murphy, sportwedstrijden, met inbegrip van voetbalwedstrijden, niet kunnen worden aangemerkt als intellectuele scheppingen en niet op grond van het auteursrecht kunnen worden beschermd. Daarenboven staat vast dat het Unierecht hiervoor ook op geen enkele andere intellectuele-eigendomsgrond bescherming biedt.”

Auteursrecht. Mediarecht. Op grond van de richtlijn inzake de uitoefening van televisieomroepactiviteiten kunnen lidstaten eisen dat evenementen die zij van aanzienlijk belang voor de samenleving beschouwen, zoals het WK en EK voetbal, op de vrij toegankelijke televisie worden uitgezonden, zodat een breed publiek toegang heeft. In casu maken de overkoepelende voetbalorganisaties UEFA en FIFA  bezwaar tegen deze regeling. Het Gerecht EU verwierp eerder hun beroepen en ook de conclusie van de AG strekt tot afwijzing van het beroep.

AG Jääskinen is van mening dat de Commissie enkel bevoegd is te controleren of de lidstaat bij de uitoefening van zijn discretionaire bevoegdheid met betrekking tot de opstelling van de nationale lijst geen kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt. De Commissie moet de procedure van opstelling van de nationale lijsten dus vooral controleren in het licht van de criteria van transparantie en duidelijkheid, en zich ervan vergewissen of de door de lidstaten aangewezen evenementen daadwerkelijk als van aanzienlijk belang voor de samenleving kunnen worden aangemerkt. De Commissie hoeft zich in haar besluitvormingsprocedure evenwel niet te beperken tot een automatisme bij de controle van de nationale lijsten.

Voorts stelt de A-G voorop dat de beperking op het vrij verrichten van diensten op het gebied van televisieomroepactiviteiten in dit geval gerechtvaardigd is: “dat de Uniewetgever, door de lidstaten de mogelijkheid te geven om een lijst met evenementen van aanzienlijk belang voor de samenleving op te stellen, de doelstelling van het vrij verrichten van diensten op het gebied van televisieomroepactiviteiten in overeenstemming wilde brengen met die van de bescherming van het recht op informatie in de context van de culturele verschillen tussen de lidstaten. De Uniewetgever heeft de beperking van die fundamentele vrijheid dus bewust als onmisbaar beschouwd om de toegang van een groot publiek tot evenementen van aanzienlijk belang voor de samenleving te verzekeren. Als zodanig moet de beperking in beginsel gerechtvaardigd en dus ook proportioneel worden geacht.”


Wat betreft het argument van de FIFA en de UEFA dat de beperking van de exclusieve uitzending van door hen georganiseerde sportevenementen inbreuk maakt op hun eigendomsrecht, wijst advocaat-generaal Jääskinen erop dat het eigendomsrecht met betrekking tot de uitzending van sportevenementen noch in het nationale recht noch in het Unierecht wordt gedefinieerd, zodat de werkingssfeer ervan in wezen afhangt van de bepalingen die de grenzen ervan afbakenen, zoals de richtlijn. Om die reden vormt de betrokken maatregel geen belemmering van het eigendomsrecht in de zin van het Handvest van de grondrechten.

34. In casu staat vast dat de UEFA en de FIFA, als leidinggevende instanties in het Europese en internationale voetbal, emblematische organisaties zijn in deze tak van sport. Zij zijn beide houder van verschillende intellectuele-eigendomsrechten, die hun een bron van inkomsten verschaffen waarmee zij grote sportevenementen financieren en de ontwikkeling van de sport op de lange termijn bevorderen.

38. Ik wijs er op dat het doel van artikel 1 van het Eerste protocol is het individu te beschermen tegen iedere inbreuk van de staat op het genot van zijn eigendom. (…) Volgens de klassieke benadering omvat het eigendomsrecht in de zin van artikel 1 van het Eerste protocol dus zakelijke rechten, persoonlijke rechten alsmede de rechten van intellectuele eigendom.

39. Het is echter van belang eraan te herinneren dat, zoals het Hof heeft geoordeeld in de gevoegde zaken FAPL en Murphy, sportwedstrijden, met inbegrip van voetbalwedstrijden, niet kunnen worden aangemerkt als intellectuele scheppingen en niet op grond van het auteursrecht kunnen worden beschermd. Daarenboven staat vast dat het Unierecht hiervoor ook op geen enkele andere intellectuele-eigendomsgrond bescherming biedt.

40. Aldus komt de situatie van verzoeksters onder het Handvest overeen met de positie die de UEFA en de FIFA feitelijk en rechtens hebben gecreëerd door ten eerste de contractuele regelingen met, hoofdzakelijk, sporters, toeschouwers, sportclubs en omroeporganisaties, en ten tweede door middel van een controle van de toegang tot de stadia op basis van overeenkomsten die met de eigenaars ervan zijn afgesloten, alsmede een controle van de bijbehorende uitrusting.

41. Dienaangaande zou de rechtspositie van de UEFA en de FIFA, aangezien de uitlegging van het begrip „eigendom” in de zin van artikel 1 van het Eerste protocol losstaat van de formele kwalificaties van het nationale recht en een meer algemeen karakter heeft, volgens mij kunnen worden gelijkgesteld met een eigendomsrecht in de zin van het Eerste protocol. Het bestaan van een dergelijke rechtspositie lijkt mij te worden verondersteld door artikel 3 bis van de gewijzigde richtlijn 89/552 alsmede door punt 21 van de considerans van richtlijn 97/36.(33) Een beperking van de uitoefening van hun rechten door een staat vormt zodoende een inmenging van een overheid in het genot van hun eigendom.(34)

42. Dientengevolge heeft het Gerecht, hoewel het zonder aarzeling heeft erkend dat het recht bestond dat volgens de UEFA en de FIFA was geschonden, de aard van dit recht niet juist heeft vastgesteld, wat echter niet wegneemt dat het hun eisen terecht heeft afgewezen op basis van de rechtspraak inzake de beperkingen die kunnen worden gesteld aan het gebruik van het eigendomsrecht, alsmede aan het recht om naar Unierecht een economische activiteit vrij uit te oefenen.

43.  Het lijkt me inderdaad dat de wetgever van de Unie, gelet op de afweging van de belangen waartoe hij is gekomen in de gewijzigde richtlijn 89/552, gerechtigd is grenzen of beperkingen te stellen aan het door de UEFA en de FIFA aangevoerde eigendomsrecht, hetzij uit hoofde van de grondrechten van anderen, zoals het recht op informatie, hetzij op grond van het algemeen belang. Bovendien merk ik op dat het in casu erkende recht verre van een wezenlijk begrip van het eigendomsrecht is, dat valt onder de bescherming tegen wetgevend optreden. Volgens de rechtspraak van het Hof echter wordt de houders van intellectuele-eigendomsrechten, zelfs indien deze zijn erkend, niet de mogelijkheid gegarandeerd om de hoogst mogelijke vergoeding te vragen. Bovendien, nu het recht waarvan het bestaan wordt opgeëist door de UEFA en de FIFA, in het nationale recht noch in het Unierecht wordt gedefinieerd, hangt de werkingssfeer ervan in existentieel opzicht af van de bepalingen die de grenzen ervan afbakenen, zoals artikel 3 bis, van de gewijzigde richtlijn 89/552.

44. Dientengevolge vormt de in het kader van de gewijzigde richtlijn 89/552 door de wetgever van de Unie gemaakte afweging dat de exclusiviteit van het recht van de organisator van een sportevenement mag worden beperkt, naar mijn mening geen belemmering van het ongestoorde genot van eigendom of een onrechtmatige controle van het gebruik ervan in de zin van het Eerste protocol.(37)


Lees de conclusie hier. Perscommuniqué hier.