Paul Geerts, Universiteit Groningen: Noot onder HR 14 juni 2013 (Cruijff/Tirion). Oorspronkelijk gepubliceerd in IER 2013/60.
"2. Over de rechtsgrondslag van het commerciële portretrecht wordt verschillend gedacht. Volgens de schrijvers van het Nederlandse handboek over het auteursrecht is de rechtsgrond gelegen in een positieve waardering en erkenning van de goodwill die de betrokkene zich door zijn prestaties heeft weten te verwerven. Het gaat dan ook om een vorm van zgn. prestatiebescherming. Met de persoonlijke levenssfeer heeft een en ander volgens hen niet te maken, nu de betrokkenen hun populariteit en ‘marktwaarde’ veelal juist verhogen door wel in het ‘nieuws’ te zijn.
3. Cruijff heeft in deze zaak betoogd dat er een andere grondslag is voor het commerciële portretrecht, te weten art. 8 EVRM. Zijn betoog komt er in het kort op neer dat het portretrecht een privacyrecht is, dat zowel een morele als economische kant heeft. Hij leidt dat af uit jurisprudentie van het EHRM. Zo heeft het EHRM bijvoorbeeld het recht op een reputatie onder het begrip ‘private life’ van art. 8 EVRM geschaard en beslist dat er geen reden is om van dat begrip uit te zonderen activiteiten van professionele of zakelijke aard. En in het Caroline von Hannover II-arrest heeft het EHRM zelfs beslist:
“The right to the protection of one’s image is thus one of the essential components of personal development. It mainly presupposes the individual’s right to control the use of that image, including the right to refuse publication thereof”.
4. Uit deze jurisprudentie (met name de recente portretrechtuitspraken) zou volgen dat er door het EHRM een steeds duidelijkere focus op privacy als een controle op het eigen portret is gelegd. Gezien die ontwikkeling zou het volgens Cruijff voor de hand liggen om geen onderscheid te maken tussen ‘moreel’ en ‘commercieel’ portretrecht, maar het portretrecht te zien als een in art. 8 EVRM verankerd privacyrecht dat zowel een morele als economische kant heeft. Men moet volgens Cruijff dus niet spreken over een commercieel belang, maar over een commercieel privacyrecht.
5. Hoewel de HR nergens in het arrest met zoveel woorden spreekt over een commercieel privacyrecht, erkent hij in r.o. 3.6.3 wel uitdrukkelijk dat bij de openbaarmaking van portretten ook commerciële belangen gemoeid kunnen zijn die onder art. 8 EVRM bescherming kunnen vinden en kunnen worden betrokken in de afweging tegen het onder art. 10 EVRM beschermde recht op vrijheid van meningsuiting en informatievrijheid.
6. De omstandigheid dat commerciële portretrechtbelangen onder art. 8 EVRM bescherming kunnen vinden legt ongetwijfeld (meer) gewicht in de schaal. Het Straatsburgse hof hecht immers grote waarde aan de door art. 8 EVRM beschermde persoonlijke levenssfeer. aar hoeveel meer gewicht valt in zijn algemeenheid moeilijk precies aan te geven. Tegenover de door art. 8 EVRM beschermde persoonlijke levenssfeer staat immers de door art. 10 EVRM beschermde vrijheid van meningsuiting, waaraan het Straatsburgse hof eveneens grote waarde hecht. Tussen beide rechten bestaat geen rangorde en verdienen “as a matter of principle equal respect”. Alles hangt dus af van de omstandigheden van het concrete geval. Het feit dat twee grondrechten botsen kan betekenen dat het EHRM de nationale rechter een ruime “margin of appreciation” laat."
Lees de gehele noot hier.