Paul Geerts: Noten onder HvJ EU Botox en ‘Wir machen das Besondere einfach‘

20-11-2012 Print this page

B9 11859. Paul Geerts, Universiteit Groningen: Noot onder HvJ 10 mei 2012, zaak C-100/11 P, B9 11212 (Botox). Oorspronkelijk gepubliceerd in IER 2012/53, p. 442-45.

“Veel belangrijker is echter het volgende: volgt uit het onderhavige arrest dat van een bekend merk alleen gesproken kan worden wanneer dat merk bij elk van de twee categorieën personen die het relevante publiek vormen bekend is? Hoewel die indruk bij een oppervlakkige lezing van het arrest zou kunnen ontstaan, meen ik dat deze vraag ontkennend beantwoord dient te worden. (…) nergens in het arrest lees ik dat het HvJ de rechtsregel formuleert dat het een noodzakelijke voorwaarde is dat het merk bij elk van de twee categorieën personen die het relevante publiek vormen bekend moet zijn.

(…) Er is veel te doen geweest over het antwoord op de vraag hoe de merkhouder moet bewijzen dat ongerechtvaardigd voordeel wordt getrokken of afbreuk wordt gedaan aan het onderscheidend vermogen of de reputatie van zijn merk (“het bewijsprobleem”). Uit de jurisprudentie van het HvJ wordt steeds duidelijker dat de soep niet zo heet gegeten hoeft te worden als aanvankelijk wel werd verondersteld. Ook het onderhavige arrest zorgt voor weer een beetje meer afkoeling.

Lees de volledige noot hier.

B9 11860. Paul Geerts, Universiteit Groningen: Noot onder HvJ 12 juli 2012, zaak C-311/11 P, B9 11471. (“Wir machen das Besondere einfach”). Oorspronkelijk gepubliceerd in IER 2012/56, p. 467-475.

“Volgens het HvJ is het juist dat het relevante deskundige publiek per definitie een hoger aandachtsniveau dan de gemiddelde consument heeft, maar dat wil nog niet zeggen dat het voor het teken voldoende is dat sprake is van een zwakker onderscheidend vermogen, indien het relevante publiek deskundig is. De deskundigheid van het publiek is immers slechts één van de factoren waarmee rekening gehouden moet worden bij de vaststelling van het onderscheidend vermogen en heeft derhalve geen beslissende invloed. Om te beoordelen of een merk onderscheidend vermogen heeft dient de door dit merk opgeroepen totaalindruk te worden onderzocht.Hoewel bij mijn weten het HvJ dit (hetgeen in nr. 7 is gecursiveerd) nog niet eerder zo uitdrukkelijk heeft beslist, zal deze beslissing van het Hof geen verbazing wekken.”

Lees de volledige noot hier.