Een bijdrage van Christian Dekoninck, Crowell & Moring LLP.
Hof van Beroep Gent 15 mei 2013, 2012/AR/2900, de heren Pieter Wittevrongel en Jonny Leus en Mevrouw Nancy Lezaire tegen de heren Pierre Aspeslag en André Cocquyt.
Auteurs- en portretrecht. Schending auteurs- en portretrecht door politieke partij wegens gebruik afbeelding in cartoon (neen). Uitspraak in hoger beroep in een geschil tussen een lokale politieke partij Dwars Groen aan de ene kant en Pierre Aspeslag, bekend auteur van verschillende boeken onder het pseudoniem Pieter Aspe, en André Cocquyt, fotograaf, aan de andere kant. Het geschil betreft een cartoon van Dwars Groen, waarin een foto verschijnt van Pieter Aspe zoals genomen door André Cocquyt. De oorspronkelijke foto werd genomen voor een kalender van de liberale partij Open VLD, waarvan Pieter Aspe lid is (geweest), maar werd door Dwars Groen aangepast ter ondersteuning van haar eigen campagne.
In de eerste plaats oordeelt het Hof dat de vordering van Pieter Aspe, gesteund op zijn portretrecht, niet toelaatbaar is. Pieter Aspe had immers een procedure zoals in kort geding ingeleid, op grond van artikel 87 Auteurswet (“stakingsvordering”), waarbij enkel eventuele inbreuken op het auteursrecht of een naburig recht kunnen worden behandeld. Hoewel het portretrecht een wettelijke grondslag vindt in (onder andere) de Belgische Auteurswet, oordeelt het Hof dat het portretrecht geen auteurs- of naburig recht is, maar een persoonlijkheidsrecht, dat onderdeel is van het recht op privacy. Bijgevolg is de auteursrechtelijke stakingsvordering van Pieter Aspe op grond van zijn portretrecht niet toelaatbaar.
In tweede instantie besluit het Hof dat het auteursrecht van de fotograaf André Cocquyt niet geschonden is omdat er sprake is van een parodie. De vier cumulatieve voorwaarden zoals ontwikkeld in de Belgische rechtspraak zijn namelijk vervuld: (i) de parodie zelf is een origineel werk, (ii) de parodie heeft een ironisch of humoristisch karakter, (iii) de parodie bevat een element van kritiek op het originele werk of het roept enig contrast met het originele werk op en (iv) de parodie neemt niet meer vormelementen over dan strikt noodzakelijk om de parodie te creëren. Daarbij wordt er door Dwars Groen rekening gehouden met de eerlijke gebruiken en is het niet aangetoond dat er sprake is van opzet om de auteur van de foto te schaden. Ook de auteursrechtelijke vordering van de fotograaf wordt dus afgewezen.
Opvallend is dat dit arrest is gewezen enkele weken nadat het Brusselse Hof van Beroep in een gelijkaardige zaak een prejudiciële vraag had gesteld aan het Hof van Justitie over de toepassingsvoorwaarden van de parodie-exceptie. De Brusselse rechter had immers vastgesteld dat er binnen de Europese Unie geen eenvormigheid bestaat over deze toepassingsvoorwaarden, waarbij ze verwees naar “The Treatment of Parodies under Copyright Law in Seven Jurisdictions” van het Britse Intellectual Property Office” (zie B9 12305).
Lees het arrest hier.