Prejudiciële vragen met betrekking tot het aanvullend beschermingscertificaat voor geneesmiddelen
09-08-2016 Print this page
Zaak Merck Sharp & Dohme v The Comptroller General of patents, designs and trade marks. Prejudiciële vragen. England and Wales High Court (Patents Court).
Octrooirecht. Hoger beroep tegen de weigering van aanvrage van MSD voor een aanvullend beschermingscertificaat omdat voor het geneesmiddel geen vergunning was afgegeven voor verhandeling in de UK (artikel 3(b) van verordening 469/2009 betreffende het aanvullende beschermingscertificaat voor geneesmiddelen). MSD stelt dat voor het medicijn wel een vergunning is verkregen en als dit niet zo is op de datum van de aanvrage, dat dit een onregelmatigheid betreft die hersteld had kunnen worden op grond van artikel 10(3) van de verordening.
MSD had nog geen vergunning voor het in het handel brengen in de UK van het medicijn. De aanvrage voor deze vergunning was ingediend, maar ten tijde van de indiening van de aanvrage van het aanvullend beschermingscertificaat was de vergunning nog niet toegekend. De vergunning is inmiddels wel verleend.
Prejudiciële vragen:
(1) Is an end of procedure notice issued by the reference member state under Article 28(4) of the Medicinal Products Directive equivalent to a granted marketing authorisation for the purposes of Article 3(b) of the SPC Regulation?
(2) If the answer to question (1) is no, is the absence of a granted marketing authorisation at the date of the application for a certificate an irregularity which can be cured under Article 10(3) of the SPC Regulation once the marketing authorisation has been granted?
Lees de uitspraak hier.