Prejudiciële vragen over billijke tarieven Letse Buma/Stemra

18-05-2016 Print this page
B914441

Zaak C-177/16:  Autortiesību un komunicēšanās konsultāciju aģentūra/Latvijas Autoru apvienība

Mededingingsrecht. Uit de samenvatting van minbuza.nl: "Verzoekster is de LET BUMA/STEMRA. Zij krijgt bij besluit van 02-04-2013 een boete opgelegd wegens het volgens verweerster (LET mededingingsAut) toepassen van onbillijk hoge vergoedingen (auteursrechten). De boete is berekend op basis van verzoeksters omzet, inclusief de als auteursvergoeding geïnde bedragen. Verzoekster kan als enige organisatie licenties verlenen voor openbare uitvoering van muziekwerken. [...]

Verweerster stelde onder meer vast dat in vergelijking met buurlanden verzoeksters tarieven aanzienlijk hoger waren en dit door verzoekster niet kon worden gerechtvaardigd. De boete wordt berekend op dezelfde wijze als die welke aan kapitaalvennootschappen kan worden opgelegd, onafhankelijk van de rechtsvorm van de marktdeelnemer. Verzoekster heeft beroep tot nietigverklaring van het besluit ingesteld, met name voor wat betreft (de beperking van) de vergelijking tot de buurlanden, en zij maakt bezwaar tegen het insluiten van de auteursvergoedingen omdat zij daarvoor als lasthebber handelt. [...]

De verwijzende LET cassatierechter twijfelt of als gevolg van verzoeksters tarieven de handel tussen EULS ongunstig wordt beïnvloed. Hij vraagt zich af volgens welke methode moet worden bepaald of hier sprake is van onbillijke tarieven en hoe voor het opleggen van de boete in casu de omzet moet worden berekend. [...] Hij legt het hof de volgende vragen voor:

1) Is artikel 102, [tweede alinea,] onder a), VWEU van toepassing in een geding over de door een nationaal auteursrechtenbureau vastgestelde tarieven, indien dat bureau ook voor werken van buitenlandse auteurs vergoedingen int en de door dat bureau vastgestelde tarieven het gebruik van die werken in de betrokken lidstaat kunnen ontmoedigen?

2) Is het met het oog op het bepalen van de inhoud van het in artikel 102, [tweede alinea,] onder a), VWEU gebruikte begrip onbillijke prijzen op het gebied van het beheer van auteursrechten en naburige rechten passend en voldoende – en in welke gevallen – om de prijzen (tarieven) op de betrokken markt te vergelijken met de prijzen (tarieven) op de aangrenzende markten?

3) Is het met het oog op het bepalen van de inhoud van het in artikel 102, [tweede alinea,] onder a), VWEU gebruikte begrip onbillijke prijzen op het gebied van het beheer van auteursrechten en naburige rechten passend en voldoende om de uit het bruto binnenlands product afgeleide koopkrachtpariteitsindex te gebruiken?

4) Moet ieder verschillend segment van de tarieven worden vergeleken dan wel het gemiddelde niveau van de tarieven?

5) Wanneer moet het verschil tussen de tarieven die worden onderzocht in verband met het in artikel 102, [tweede alinea,] onder a), VWEU gebruikte begrip onbillijke prijzen, worden geacht aanzienlijk te zijn, zodat de marktdeelnemer met een machtspositie moet aantonen dat zijn tarieven billijk zijn?

6) Welke informatie kan bij de toepassing van artikel 102, [tweede alinea,] onder a), VWEU redelijkerwijs worden verwacht van de marktdeelnemer ten bewijze dat de tarieven voor auteursrechtelijk beschermde werken billijk zijn, indien de kosten van die werken niet kunnen worden bepaald zoals in het geval van materiële producten? Gaat het uitsluitend om de beheerskosten van het auteursrechtenbureau?

7) Moeten in geval van schending van het mededingingsrecht de door een auteursrechtenbureau aan auteurs betaalde vergoedingen met het oog op de vaststelling van een geldboete worden uitgesloten van de omzet van die marktdeelnemer?”

Lees hier meer.