Prejudiciële vragen over niet-lineair uitzenden van programma's die in strijd zijn met 'de goede zeden'
12-11-2025 Print this page
Roemenië heeft een nationale regel ingesteld waarin een algemeen rechtsbeginsel is opgenomen, waardoor de aanbieders van niet-lineaire audiovisuele mediadiensten nu bestuursrechtelijke sancties kunnen worden opgelegd vanwege het uitzenden van programma’s die in strijd zijn met ‘de goede zeden’. De goede zeden wordt in Roemeense rechtspraak als algemeen beginsel erkend. Het is de vraag of deze nationale regeling (als aanvullende voorwaarden op richtlijn 2010/13) toelaatbaar is, en of het niet de vrijheid van meningsuiting van artikel 11 Handvest beperkt.
Op Novini.bg wordt een artikel gepubliceerd: "Emily Trotinetkata [Emily de scooter] heeft een jongen met bijzondere behoeften bespot". In het fragment wordt een vernederende scène beschreven waarin een jongen met speciale onderwijsbehoeften in een winkelcentrum door een groep jongeren wordt behandeld als een hond: hij moet op handen en voeten lopen, bevelen opvolgen en een beker apporteren. De anderen, waaronder Emily en iemand met de bijnaam “de Tsjetsjeen”, moedigen dit gedrag spottend aan en belonen hem alsof hij een dier is.
(...)
Tot de vraag naar de „goede zeden” volgens het nationale recht behoort ook de
vraag naar het wezen van het begrip „beste Europese praktijken”, die niet formeel
in bepalingen van wetgevingshandelingen zijn verankerd. Door de eerste vraag te
stellen, dient onvermijdelijk ook de vraag te worden beantwoord naar de „beste
Europese praktijken” en naar de mogelijkheid om bij overtredingen van de goede
zeden met inachtneming van de beste Europese praktijken, die door de
rechtssubjecten zonder twijfel als criteria voor eerlijkheid, fatsoen en juistheid
werden erkend en deel van het Unierecht zijn, op enigerlei wijze ter
verantwoording te worden geroepen – hetzij civiel-, boete- of strafrechtelijk.
Prejudiciële vraag:
Is een nationale regeling die, door het opnemen in het nationale recht van een algemeen rechtsbeginsel, zoals dat van de „goede zeden”, het mogelijk maakt dat de lidstaat aanvullende maatregelen invoert, die er onder meer toe strekken dat op basis van de goede zeden de verantwoordelijkheid voor een bepaalde dienst van de informatiemaatschappij in de zin van richtlijn 2010/13/EG in het leven wordt geroepen, toelaatbaar volgens het recht van de Unie, en, zo ja, in hoeverre wordt door de toepassing van dit abstracte beginsel als grondslag voor de verantwoordelijkheid bij schendingen de vrijheid van meningsuiting overeenkomstig artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie niet beperkt?
Verwijzingsbeschikking MinBuZa, via curia: Zaak C-591/24 Golf Bulgaria