B9 10269. Kamerstukken Tweede Kamer. Bijlage bij Kamerstuk 29838 nr. 30. Nederlandse reactie op verslag & analysedocument behorende bij richtlijn 2004/48/EG. (Bijlage bij reactie speerpuntenbrief, zie B9 10247).
Nederland dankt de Commissie voor de analyse en evaluatie van de richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele eigendomsrechten (hierna: “handhavingsrichtlijn”) en geeft bijgaand een voorlopige reactie. Daarom ziet Nederland vooralsnog geen noodzaak om de handhavingsrichtlijn te wijzigen. Nederland ziet wel problemen in de handhaving waar het grensoverschrijdende inbreuken betreft en nodigt de Commissie uit om met name naar dit aspect onderzoek te doen.
(…) Het hiervoor gegeven voorbeeld van de ‘pirate bay’ illustreert naar de mening van Nederland de punten waarop de handhaving van de handhavingsrichtlijn verbeterd zou kunnen worden. Eén van de Nederlandse beleidsvoornemens richt zich hier op, door blokkering van websites in specifieke gevallen waarin de rechthebbenden hebben aangetoond dat de website een onrechtmatig karakter heeft mogelijk te maken. Nederland nodigt de commissie uit om deze problematiek in Europees verband te onderzoeken en zo nodig passende actie te ondernemen.
(…) 2.2 Positie en rol van tussenpersonen bij handhaving van auteursrechten. Nederland heeft de bepalingen van de richtlijn handhaving en de richtlijn elektronische handel omtrent tussenpersonen in zijn wetgeving omgezet. In combinatie met de bepalingen van het algemeen aansprakelijkheidsrecht en de algemene rechtsmiddelen van het burgerlijk procesrecht kunnen bepaalde voorzieningen worden getroffen jegens de tussenpersoon. De jurisprudentie rondom de positie van tussenpersonen op internet lijkt volop in beweging. Zo kan onder bepaalde omstandigheden van internetproviders de naam, adres en woonplaats van de inbreukmaker gevorderd worden (Hoge Raad 25 november 2005, LJN AU4019). Één van de beleidsvoornemens is om in de wet te bepalen onder welke omstandigheden deze gegevens gevraagd mogen worden. Afgifte mag volgens Nederland alleen aan de orde zijn als de rechter heeft vastgesteld dat iemand zich schuldig heeft gemaakt aan grootschalige auteursrechtinbreuken en als het niet mogelijk is gebleken om de websitebeheerder of de hosting provider effectief aan te spreken. Helaas is na de afgifte de ervaring dat er gebruik is gemaakt van valse gegevens. Hiervoor wil Nederland ook in Europees verband aandacht vragen. Een vordering om een verbod tot de doorgifte van een website bij de access provider is in Nederland bij de huidige stand van de jurisprudentie niet mogelijk (Rechtbank ’s-Gravenhage 19 juli 2010, LJN BN1445). Daarom bereid Nederland een wetswijziging voor om adressen van websites in specifieke gevallen waarin de rechthebbenden hebben aangetoond dat de website een onrechtmatig karakter heeft als uiterste middel door tussenkomst van de rechter te kunnen blokkeren. Het gaat hier niet om een toezichtsverplichting van de internet service provider. De rol van de access provider is uitvoerend. Nederland is overigens niet bekend met problemen van uitleg van het begrip ‘tussenpersoon’ in de zin van de handhavingsrichtlijn.
(…) Nederland wijst ook op de mogelijkheden voor zelfregulering. Zo hebben internetproviders in Nederland een gedragscode ontwikkeld waarmee een eenduidig beleid voor de zogenaamde ‘notice and take down’ procedure is afgesproken. Ook auteursrechthebbenden staan in beginsel positief tegenover deze code. In de praktijk blijkt deze code, ook volgens auteursrechthebbenden, naar behoren te werken. Wel zien auteursrechthebbenden problemen bij kleinere service providers. Deze hebben de neiging om niet op een ‘notice’ te reageren.
(…) Nederland stelt bij de positie van tussenpersonen – en internetproviders in het bijzonder – voorop dat het te ver gaat om opsporingstaken te beleggen bij een internetprovider. (…) Tegelijk is een internetservice provider niet vrij van de verplichtingen om in bepaalde gevallen mee te werken om op te treden tegen auteursrechtschendingen, zo volgt ook uit artikel 11 van de handhavingsrichtlijn. Nederland ziet vooralsnog geen reden om artikel 11 van de richtlijn te veranderen. Zoals het artikel thans is geformuleerd biedt dit artikel lidstaten en autoriteiten de vrijheid om volgens hun nationale stelsel maatregelen te treffen om inbreuken tegen te gaan. Deze maatregelen kunnen uiteraard niet afdoen aan de door de richtlijn inzake electronische handel voorziene vrijwaring van aansprakelijkheid. Nederland wijst tot slot nog op de aanhangige zaak voor het Hof van Justitie van de Europese Unie tussen Sabbam en Netlog (C-360/10), die over de verhouding tussen rechthebbenden, tussenpersonen en inbreukmakers gaat en op dit terrein vermoedelijk duidelijkheid zal brengen.
(…) 2.5 Proceskostenveroordeling. Zoals onder 1.2 aangegeven betrof de zogenaamde ‘reële’ proceskostenveroordeling een nieuwe regel in het Nederlandse burgerlijk procesrecht. Voor de invoering van artikel 14 van de richtlijn, was de veroordeling in proceskosten in zaken van intellectueel eigendom gebaseerd op het commune stelsel, dat voorzag in een standaard tarief. Uit onderzoek uit de literatuur blijkt dat de rechtspraktijk verdeeld is over de wijze waarop de ‘reële’ proceskostenveroordeling moet worden toegepast. Uitgangspunt van de richtlijn is dat “redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten die de in het gelijk gestelde partij heeft gemaakt, door de verliezende partij zullen worden gedragen”. In de rechtspraktijk worden hierbij verschillende criteria aangehouden, waaronder verwijtbaarheid van de inbreuk, complexiteit en omvang van de zaak. Ook bestaat er verschil van mening over wanneer er aanleiding kan zijn om de in artikel 14 vervatte billijkheidscorrectie toe te passen. Nederland vraagt zich af of in dit verband af hoe de ervaringen van rechters in andere lidstaten zijn en nodigt de Commissie uit dit punt voor onderzoek mee te nemen.
Lees het kamerstuk hier.