Recent aangebrachte zaken HvJ EU / Gerecht EU

13-02-2013 Print this page
B912107

Een uitgebreid overzicht van alle recent aangemelde en alle lopende zaken is te vinden op deze pagina van de website van UK IP Office.

Zaak C-583/12: Sintax Trading OÜ v Maksu- ja Tolliameti Põhja maksu- ja tollikeskus. Prejudiciële vragen Riigikohus (Estonia).

Import.“This preliminary reference from the from the Estonian Supreme Court concerns an alleged infringement of intellectual property rights and which body is competent to determine this when goods are detained on this basis on arrival in the EU. It arises from a challenge brought by Sintax Trading against a decision of the Estonian Tax and Customs Office to detain their goods imported from the Ukraine on the basis that they infringed a similar bottle design already registered in Estonia.” (Samenvatting UK IP Office).

Prejudiciële vragen: “Kan de in artikel 13, lid 1, van verordening nr. 1383/20032 genoemde "procedure [die] is ingeleid om te bepalen of [...] een intellectuele-eigendomsrecht is geschonden", ook worden gevoerd bij de douanedienst, of dient de in hoofdstuk III van de verordening behandelde "bevoegde autoriteit [die] een besluit ten gronde kan nemen" gescheiden te zijn van de douaneautoriteiten?

In punt 2 van de considerans van verordening nr. 1383/2003 wordt als doelstelling van de verordening bescherming van de consumenten genoemd, en overeenkomstig punt 3 van die considerans moet in een procedure worden voorzien die de douaneautoriteiten de mogelijkheid geeft het verbod om goederen die inbreuk maken op een intellectuele-eigendomsrecht in het douanegebied van de Gemeenschap binnen te brengen, zo doeltreffend mogelijk te handhaven, zonder evenwel de in punt 2 van de considerans van deze verordening en in punt 1 van de considerans van uitvoeringsverordening nr. 1891/2004 genoemde vrijheid van het legitieme handelsverkeer in het gedrang te brengen. Is het met deze doelstellingen verenigbaar dat de in artikel 17 van verordening nr. 1383/2003 vastgelegde maatregelen alleen kunnen worden toegepast wanneer de houder van het recht de in artikel 13, lid 1, van de verordening genoemde procedure tot vaststelling van een inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht inleidt, of moet met het oog op een zo doeltreffend mogelijke verwezenlijking van deze doelstellingen, ook de douaneautoriteit de mogelijkheid hebben om de desbetreffende procedure in te leiden?”

Merkenrecht (oppositieprocedure). Zaak C-558/12 P: Hoger beroep tegen T-278/10, Wesergold Getränkeindustrie GmbH & Co. KG / OHIM (WESTERN GOLD).

“Ten eerste beroept rekwirant zich op schending van artikel 8, lid 1, sub b, van de verordening inzake het gemeenschapsmerk, doordat het Gerecht de beslissing van de kamer van beroep heeft vernietigd op grond dat het toegenomen onderscheidend vermogen niet is onderzocht, hoewel het Gerecht zelf heeft vastgesteld dat de conflicterende tekens ook al globaal verschillen, zodat reeds op grond daarvan geen sprake kan zijn van verwarringsgevaar.

Ten tweede voert rekwirant schending aan van artikel 76, lid 1, juncto artikel 64, lid 1, van de verordening inzake het gemeenschapsmerk doordat deze bepalingen vereisen dat Wesergold Getränkeindustrie zich op het toegenomen onderscheidend vermogen had moeten beroepen, hetgeen zij evenwel overduidelijk niet heeft gedaan. Wesergold Getränkeindustrie heeft het argument inzake het toegenomen onderscheidend vermogen als gevolg van het gebruik reeds in de loop van de oppositieprocedure, en niet later dan in de beroepsprocedure, laten vallen. De tegenovergestelde stelling van het Gerecht, dat Wesergold Getränkeindustrie zich nog in de beroepsprocedure heeft beroepen op het toegenomen onderscheidend vermogen als gevolg van het gebruik, vormt een kennelijk onjuiste opvatting van de feiten, die geen nieuw onderzoek behoeft.

Ten derde schendt het arrest de vaste rechtspraak dat een fout niet mag leiden tot de vernietiging van de beslissing wanneer deze fout kennelijk geen gevolgen voor de beslissing heeft. De vraag inzake het toegenomen onderscheidend vermogen is voor de beslissing irrelevant, niet alleen wegens het door het Gerecht uitdrukkelijk vastgestelde verschil tussen de tekens, maar ook omdat Wesergold Getränkeindustrie door de in de oppositieprocedure overgelegde documenten reeds prima facie niet het bewijs heeft geleverd van het toegenomen onderscheidend vermogen als gevolg van het gebruik. Het Gerecht had kort moeten onderzoeken of deze op 10 maart 2008 overgelegde kennelijk ontoereikende bewijzen steek hielden, om een nodeloze vertraging en kostenverhoging van de procedure te vermijden.”

Merkenrecht (nietigheidsprocedure). Zaak C-530/12. Hoger beroep tegen het arrest van het Gerecht EU in zaak T-404/10, National Lottery Commission/OHIM (gemeenschapsbeeldmerk ´dat een hand met twee gekruiste vingers en een lachend gezicht weergeeft´).

Oppositieprocedure. “Enerzijds heeft het Gerecht (…) geschonden voor zover het Gerecht steunde op bepalingen van nationaal recht, te weten artikel 2704 van het Italiaanse burgerlijk wetboek, dat door partijen niet was aangevoerd en derhalve geen deel uitmaakte van het geschil voor de kamer van beroep. Anderzijds heeft het Gerecht (…) geschonden voor zover het steunde op nationale rechtspraak, te weten arrest nr. 13912 van de Corte Suprema di Cassazione van 14 juni 2007, dat door partijen niet was aangevoerd en geen deel uitmaakte van het geschil voor de kamer van beroep.

Het tweede middel betreft schending van het recht van het BHIM om te worden gehoord, voor zover het Bureau niet in de gelegenheid was gesteld om opmerkingen te formuleren over procedurele en inhoudelijke aspecten van het arrest van de Corte Suprema di Cassazione. Het valt niet uit te sluiten dat de redenering en het oordeel van het Gerecht anders zouden zijn geweest indien het Bureau opmerkingen had kunnen formuleren.

Volgens het derde middel geven de redenering en het oordeel van het Gerecht blijk van kennelijke innerlijke tegenspraak en van onjuiste voorstelling van de feiten. Het Bureau is van mening dat het Gerecht de analyse van de kamer van beroep en de eigen argumenten van de National Lottery Commission onjuist heeft opgevat en voorgesteld en dat het ten onrechte niet heeft geoordeeld dat de kamer van beroep aan de juiste rechtsregel naar Italiaans recht had getoetst door te stellen dat de National Lottery Commission niet het bewijs had geleverd dat de datum van de poststempel op de overeenkomst van 1986 niet beslissend was."