Schadestaat: niet bewezen dat onrechtmatige uitingen tot schade hebben geleid
22-11-2012 Print this page
B9 11870. Rechtbank ’s-Gravenhage, 31 oktober 2012, LJN: BY3943, Holland Waterfiltration Systems (HWS) B.V. tegen Vereniging van Waterbedrijven in Nederland en Vitens N.V.
Mediarecht. Schadestaatprocedure. HWS heeft met Albert Heijn een overeenkomst gesloten om waterfiltersystemen te plaatsen, waarna het gefiltreerde water onder de naam Zero-water is verkocht. Na negatieve publiciteit van o.a. Vewin en Vitens, maar ook de Consumentenbond, heeft Albert Heijn de overeenkomst rechtsgeldig beëindigd.
In de hoofdzaak is vastgesteld dat gedaagden ieder voor zich onrechtmatig hebben gehandeld jegens HWS, door de wijze waarop zij zich tegenover derden hebben uitgelaten over een door eiseres ontwikkeld product (IEPT20060705 en in hoger beroep IEPT20090421). De rechtbank heeft eiseres opgedragen te bewijzen dat er causaal verband bestaat tussen de onrechtmatige gedragingen en de gestelde schade, als gevolg van de beëindiging van de overeenkomst met Albert Heijn. HWS is niet geslaagd in haar bewijsopdracht.
Op basis van getuigenverklaringen oordeelt de rechtbank dat er geen causaal verband bestaat tussen de uitlatingen in de brief van Vewin aan Ahold en het besluit tot beëindiging van de overeenkomst door Albert Heijn. Aangenomen wordt o.m. dat deze brief pas bij Ahold is bezorgd, nadat het besluit tot beëindiging een dag eerder al was genomen. Ten aanzien van de onrechtmatige uitingen van Vitens in een artikel in de Volkskrant concludeert de rechtbank dat dit artikel weliswaar een zekere rol heeft gespeeld in de besluitvorming van Albert Heijn, maar dat de overige negatieve publiciteit, afkomstig van derden, over het product ook een rol hebben gespeeld. Niet kan met de vereiste mate van waarschijnlijk worden vastgesteld dat de uitlatingen van Vitens van dusdanige betekenis waren dat een causaal verband kan worden aangenomen.
Lees het vonnis hier.