Te zien of niet te zien. Over onderscheidbaarheid in het kwekersrecht

08-11-2016 Print this page
B914689

BIE oktober 2016, p. 266-273, Paul van der Kooij, Te zien of niet te zien. Over onderscheidbaarheid in het kwekersrecht: "Eén van de voorwaarden om voor kwekersrechtelijke bescherming in aanmerking te komen, en in zekere zin de belangrijkste, is die van de onderscheidbaarheid van het kandidaat-ras ten opzichte van oudere rassen. Ingevolge art. 35, lid 2 Zaaizaad- en plantgoedwet 2005 (ZPW) wordt een ras als onderscheidbaar aangemerkt indien het duidelijk te onderscheiden is van elk ander ras waarvan het bestaan op het tijdstip van indiening van de aanvraag algemeen bekend is. In art. 7 van het Internationaal Verdrag tot bescherming van kweekprodukten (hierna ook: UPOV 1991) staat het precies zo. Art. 7 van Verordening nr. 2100/94 inzake het communautaire kwekersrecht geeft aan de voorwaarde wat meer reliëf, door te verlangen dat dat duidelijke onderscheid het gevolg is van de uitingsvorm van de eigenschappen, die voortvloeit uit een bijzonder genotype of een combinatie van genotypen. [...]

Eén van de voorwaarden voor het verkrijgen van kwekersrechtelijke bescherming is dat het kandidaat-ras zich duidelijk van andere, algemeen bekende rassen moet onderscheiden. Internationaal wordt dit vereiste aldus uitgelegd, dat het ras duidelijk moet verschillen in ten minste één eigenschap, die van belang is voor de identificatie van het ras, en die dus niet economisch van belang hoeft te zijn.

De internationale kwekersorganisatie Ciopora heeft voorgesteld om bij het onderzoek naar onderscheidbaarheid een schifting te gaan aanbrengen tussen belangrijke en onbelangrijke eigenschappen. Dit voorstel dient om diverse redenen te worden afgewezen. Wél bruikbaar lijkt de – eveneens door Ciopora naar voren gebrachte – suggestie om de afstanden tussen rassen
waar mogelijk te vergroten. Dit voorstel zal op het internationale toneel de handen wellicht wat eerder op elkaar weten te krijgen. Het lijkt ook eenvoudiger uit te werken. Dit zou althans door middel van aanscherping van de door de onderzoeksbureaus gehanteerde richtlijnen denkbaar zijn. Een aldus ‘kunstmatig’ gerealiseerde grotere bandbreedte van individuele rassen zou als potentieel bijkomend voordeel hebben dat ‘plagiaat rassen’ minder kans maken."