Alexander Tsoutsanis: Tous les mêmes - Vredo, octrooien, equivalentie en verleningsdossier

Print this page 06-11-2019
B915885

Alexander Tsoutsanis, DLA Piper"1. Op 19 juni jl. wees de rechtbank Den Haag een interessant vonnis in de octrooizaak Eli Lilly v. Fresensius Kabi (ECLI:NL:RBDHA:2019:6107). De zaak gaat over de vraag of een farmaceut een generiek, en dus doorgaans goedkoper, geneesmiddel kon verbieden omdat dit inbreuk zou maken op haar octrooi. Die vraag staat ook maatschappelijk in de belangstelling. De belangentegenstellingen tussen producenten van nieuwe resp. generieke medicijnen haalden in 2019 herhaaldelijk het nieuws. De zaak is in de octrooipraktijk niet onopgemerkt gebleven. De zaak is eerder besproken op diverse blogs door o.a. Hoyng en Lambers. Afgelopen week verscheen ook een commentaar van Kleemans en Drok. Het is natuurlijk mooi dat auteurs een bijdrage leveren aan juridisch debat. Punt is echter dat bepaalde commentaren tamelijk onevenwichtig zijn. Zo suggereert Hoyng dat de rechtbank de ‘weg kwijt zou zijn’ en stelt Kleemans dat equivalentie in Nederland weer ‘weg’ zou zijn. Dergelijk onevenwichtig commentaar is een punt van zorg: het doet geen recht aan de afgewogen oordeelsvorming van de rechtbank in kwestie en doet ook afbreuk aan de aanvaardbaarheid van rechterlijke beslissingen in het algemeen. En dat is des te belangrijker bij thema’s die in de maatschappelijke belangstelling staan. Bij de vorige week verschenen bijdrage van Kleemans en Drok zijn in dit verband enkele kanttekeningen te plaatsen. Ik beperk me daarbij tot vier algemene thema’s: feiten, maatstaf, harmonisatie en aanvaardbaarheid.

 

[...]

 

2. Kleemans c.s. beginnen met de veronderstelling dat de lezer met de feiten wel bekend zal zijn.Met voorbijgaan aan feiten de uitspraak van een feitenrechter becommentariëren is nooit een goedidee. De uitkomst daarvan is immers verweven met waarderingen van feitelijke aard. Kleemansc.s. slaan dan op p. 279 aan het vrijelijk ‘reconstrueren’, maar gaan daarbij soms te kort door debocht. Zo wordt pemetrexed neergezet als een ‘subklasse’ en wordt gesproken van pemetrexed als‘subklasse van alle antifolaten’. Dat is chemisch niet geheel zuiver. Zoals het vonnis in r.o. 2.2aangeeft is de stof pemetrexed een vrij zuur en wordt ook wel aangeduid als pemetrexed dizuur.Door de boel zo te presenteren brengen Kleemans c.s. bovendien onvoldoende tot uiting dat éénvan de thema’s in deze zaak nu juist was of met die term alleen de specifieke stof pemetrexed(dizuur) bedoeld was of ook alle (farmaceutisch geschikte) zouten ervan, en als dat al zo bedoeldwas, of dit dan voldoende basis had in de octrooiaanvrage.

 

[...]

 

3. Ook in ander opzicht rijzen er twijfels. Naast de feiten geven de auteurs ook de relevante juridische maatstaven bepaald niet juist weer. Kleemans c.s. stellen niet de huidige norm voorop aan de hand waarvan de beschermingsomvang dient te worden vastgesteld.

 

[...]

 

4. Kleemans c.s. gaat het kennelijk alleen om toe te werken naar de door hen gewenste ‘uitkomst’. Maar de uitkomst van de procedure is een andere en wel dat, op basis van het geldende juridische kader en op grond van de specifieke, krasse, omstandigheden van dit geval, voor equivalente bescherming geen ruimte bestaat (r.o. 4.34).

 

[...]

 

8. Het is natuurlijk waar dat Nederland omtrent (de mate waarop een derde een beroep kan doen op)het verleningsdossier in internationaal opzicht een eigen koers vaart. Tegelijk is dat wel een koers uitgezet door onze hoogste rechter. Een weloverwogen koers bovendien, na onderkenning van de andersluidende wind die in andere landen op dit punt waait. Dat buitenlandse rechters, op basis van hetzelfde verleningsdossier, elders tot andere uitkomsten komen, wondert dan niet. Het is veeleer een indicatie dat een Nederlandse feitenrechter de bestendige leer van zijn Hoge Raad toepast, zoals die ook toegepast dient te worden. Kleemans’ kritiek op p. 282 kan daarom worden gepasseerd.

 

[...]

 

9. Wat dan overblijft is Kleemans’ kritiek dat het vonnis (alle?) andersluidende buitenlandse beslissingen had moeten bespreken. Dit is om meerdere redenen onjuist. Algemeen uitgangspunt van ons procesrecht is dat een rechter alle voor zijn beslissingen essentiële stellingen en verweren moet bespreken. Dat heeft de rechter met dit, toch omvangrijke, vonnis in deze zaak gedaan.

 

[...]

 

10. Voor de vraag of een vonnis door de beugel kan, geldt als vanouds de maatstaf uit Vredo / Veenhuis en wel dat “elke rechterlijke beslissing tenminste zodanig moet worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden (…) controleerbaar en aanvaardbaar te maken.” Dat is hier het geval. [...]"

 

Lees het artikel hier.