BMM Bulletin 2/2013, p. 76-82, Jaap Bremer: "Hoewel het Hof van Justitie een omvangrijk 'acquis Communautaire' over refererend merkgebruik heeft gecreëerd, en hoewel er ook in de feitenrechtspraak in meerdere of mindere mate wel een trend in de beoordeling van specifieke vormen van merkgebruik te ontwaren is, blijft er toch onzekerheid bestaan omtrent de vraag wat wel en niet is toegestaan, getuige ook het grote aantal rechtszaken over refererend merkgebruik. In een aantal uitspraken komt terug dat de genoemde omstandigheden (bijvoorbeeld: uitingen over relatie met merk(houder), gebruik beeldmerk, gebruik merk in handels- respectievelijk domeinnaam, ieder voor zich niet zonder meer voldoende zijn voor het ontoelaatbare suggereren van een band met de merkhouder, maar in combinatie met elkaar wel. Het is dus riskant om algemene conclusies uit de rechtspraak te trekken omtrent de toelaatbaarheid van bepaalde vormen van refererend merkgebruik. De eventuele implementatie van de voorstellen in de Max Planck-studie zal naar verwachting niet veel meer duidelijkheid brengen, nu deze voorstellen vooralsnog grotendeels een codificatie en samenvoeging van de reeds uit de jurisprudentie bekende regels lijken neer te komen. Sommige merkhouders hebben, wellicht om meer duidelijkheid te creëren en daarmee inbreuk op hun merkrechten te voorkomen, zelf richtlijnen opgesteld voor het gebruik van hun merken door derden.
Apple heeft bijvoorbeeld in zijn 'Guidelines for Using Apple Trademarks and Copyrights' geprobeerd af te bakenen wat derden die geen officiële wederverkoper ('authorised reseller') of licentienemer van Apple is, wel en niet mag doen met de Apple-merken. Zo mag een derde wel woordmerken gebruiken in een puur refererende context, om aan te geven dat zijn producten (denk aan koptelefoons, opladers etc.) compatibel zijn met het Apple-product, maar mogen zij onder geen beding beeldmerken van Apple gebruiken in marketingmaterialen. Bij het gebruik van woordmerken moet de eigen productnaam prominenter worden afgebeeld dan het Apple-merk. Ook is gebruik van Apple-merken als onderdeel van de eigen handelsnaam of productnaam uit den boze. Wordt een Apple-merk gebruikt in het kader van een seminar of publicatie, dan dient een disclaimer te worden opgenomen waarin tot uitdrukking wordt gebracht dat Apple geen toestemming heeft verleend voor presentatie respectievelijk publicatie. De door Apple uitgevaardigde richtlijnen lijken aan te sluiten bij de hiervoor besproken rechtspraak, maar zij proberen absolute regels te creëren voor bepaalde typen refererend merkgebruik, los van de context waarin dit merkgebruik plaatsvindt. Als een Apple-logo op een website van een niet door Apple geautoriseerde verkoper van met iPhones compatibele koptelefoons weergegeven wordt, maar dit gebeurt puur 'ter illustratie' bij een mededeling dat de koptelefoons geschikt zijn voor gebruik in combinatie met verscheidene smartphones, waaronder de Samsung Galaxy, de Apple iPhone etc. (waarvan ook logo's zijn afgebeeld, dan lijkt verdedigbaar dat bij het relevante publiek niet de indruk zal ontstaan dat er een commerciële band tussen de aanbieder en Apple bestaat, zeker wanneer de website een duidelijk zichtbare disclaimer bevat dat de aanbieder niet gelieerd is aan Apple. Uit de arresten Gerolsteiner Brunnen/Putsch en Gillette!LA-Laboratories blijkt bovendien dat alle relevante omstandigheden van het geval in aanmerking moeten worden genomen bij de beoordeling of voldaan is aan de criteria van artikel 6 lid 1 MRI. Het lijkt dus onwaarschijnlijk dat een rechter zich iets van de 'Guidelines' zoals die van Apple zal aantrekken."