Wet Auteurscontractenrecht ingediend bij Tweede Kamer

Print this page 19-06-2012

B9 11355. Kamerstukken Tweede Kamer. Wijziging van de Auteurswet en de Wet op de naburige rechten in verband met de versterking van de positie van de auteur en de uitvoerend kunstenaar bij overeenkomsten betreffende het auteursrecht en het naburig recht  (Wet Auteurscontractenrecht).

"De wet kan niet alle mogelijke situaties in regels vatten en bevat daarom noodgedwongen open begrippen."

De  verkiezingen zullen alles wellicht weer helemaal veranderen, maar het lang verwachte Wetsvoorstel Auteurscontractenrecht (denk aan de geruchtmakende internetconsulatie), is nu dan eindelijk, naar verluid op aandringen van D66, eindelijk ingediend bij de Tweede Kamer.

Het wetsvoorstel voert de volgende wijzigingen door:  Allereerst worden de voorwaarden voor verlening van een exclusieve licentie gelijkgetrokken met de voorwaarden voor overdracht van het auteursrecht. Dit betekent dat zowel voor de overdracht als voor de exclusieve licentieverlening een akte vereist is. Voorts gaan bij natuurlijke makers alleen die bevoegdheden over die in de akte staan vermeld of die uit de aard en de strekking van de titel van overdracht of licentie voortvloeien. Bevoegdheidsverlening ten aanzien van toekomstige zelfstandige exploitatiewijzen (een exploitatiewijze die niet voorzienbaar was ten tijde van het sluiten van de overeenkomst) door natuurlijke makers is alleen mogelijk indien dit expliciet is bepaald en het auteursrecht in zijn geheel over gaat. De maker heeft dan recht op een aanvullende billijke vergoeding indien daadwerkelijk tot exploitatie wordt overgegaan.

Daarnaast wordt een nieuw hoofdstuk Ia exploitatiecontractenrecht ingevoerd. Op grond van dit hoofdstuk geldt het volgende:

1. de maker heeft recht op een in de overeenkomst te bepalen billijke vergoeding van zijn wederpartij voor het verlenen van exploitatiebevoegdheid. Indien bevoegdheid is verleend ten aanzien van toekomstige exploitatiewijzen die niet bekend waren ten tijde van de sluiting van de overeenkomst en de exploitatie wordt ter hand genomen, is degene die exploiteert aan de maker een aanvullende billijke vergoeding verschuldigd;

2. een vereniging van makers kan in samenspraak met een vereniging van exploitanten de Minister van OCW verzoeken de hoogte van een billijke vergoeding vast te stellen;

3. de maker heeft recht op een aanvullende vergoeding van degene die het auteursrecht op zijn werk exploiteert indien de aanvankelijk overeengekomen vergoeding ernstig onevenredig is in verhouding tot de opbrengst van de exploitatie (disproportionaliteitsregel, ook wel bestsellerbepaling);

4. de maker kan de overeenkomst geheel of gedeeltelijk ontbinden in het geval de exploitant nalaat in voldoende mate te exploiteren (non usus-regel). Op de exploitant rust de plicht desgevraagd inzicht te geven in de omvang van de exploitatie;

5. de maker kan een beding waarin voor een onredelijk lange of onvoldoende bepaalde termijn aanspraken worden verleend op exploitatie van toekomstige werken en andere onredelijke bezwarende bedingen vernietigen;

6. er wordt een grondslag geregeld voor de instelling van een geschillencommissie zodat de maker, in het geval er een geschil ontstaat met de exploitant, een laagdrempelig alternatief heeft voor een gerechtelijke procedure.

Tot besluit wordt de regeling inzake filmwerken verduidelijkt. Het vermoeden van overdracht aan de producent blijft bestaan. De maker behoudt daardoor de mogelijkheid zijn rechten over te dragen aan een collectieve beheersorganisatie. Zoals gesteld in de speerpuntenbrief bij speerpunt 1 dienen collectieve beheersorganisaties (cbo’s) uiterlijk eind 2012 één loket te hebben ingericht waar gebruikers zich kunnen vervoegen voor onder meer het doen van betalingen, de opgave van muziekgebruik en het indienen van klachten. Dat geldt ook voor de audiovisuele sector. Nieuw is dat in de bepaling is opgenomen dat de makers die een wezenlijke bijdrage van scheppend karakter hebben geleverd aan de totstandkoming van een filmwerk recht hebben op een proportionele vergoeding voor iedere vorm van exploitatie indien zij de rechten hebben overgedragen aan de producent.

Bovengenoemde bepalingen inzake hoofdstuk Ia en 45d Aw worden in de Wet op de naburige rechten van overeenkomstige toepassing verklaard op uitvoerende kunstenaars.

Het auteursrecht en daarmee het sluiten van overeenkomsten inzake de exploitatie van het auteursrecht is van belang voor een aantal uiteenlopende sectoren. Met uitzondering van de specifieke regeling voor filmwerken (artikel 45d) acht de regering een algemene regeling voor exploitatieovereenkomsten op zijn plaats. Uit het eerder genoemde onderzoek “Wat er speelt” blijkt dat in de meeste branches het merendeel van de makers en uitvoerend kunstenaars de onderhandelingspositie als zwak wordt beschouwd. Aannemelijk is dat alle makers in de verschillende branches belang hebben bij bijvoorbeeld de bepaling dat zij geen afstand kunnen doen van hun recht op een aanvullende vergoeding in het geval de vergoeding ernstig onevenredig is aan de exploitatieopbrengst (artikel 25d). Het voorstel biedt een kader waarbinnen afspraken op maat tot stand kunnen komen. De achterliggende gedachte hierbij is dat maatwerk voor de verschillende sectoren moet komen van de zijde van de betrokken marktpartijen.

De wet kan niet alle mogelijke situaties in regels vatten en bevat daarom noodgedwongen open begrippen. Deze open begrippen dienen nader te worden ingevuld door de omstandigheden waarin maker en exploitant verkeren in de desbetreffende branche. Dit kan doordat verenigingen van makers en exploitanten in bepaalde sectoren modelcontracten afsluiten waarin bijvoorbeeld afspraken worden gemaakt over de redelijke termijn die noodzakelijk is alvorens de bepaling inzake non usus succesvol kan worden ingeroepen. In de literaire uitgeverij bestaan reeds dergelijke modelcontracten. Voor deze modelcontracten geldt wel dat hierin geen afspraken mogen worden gemaakt die op basis van de Mededingingswet verboden zijn.

Voorts kan er een invulling naar sector plaatsvinden doordat de geschillencommissie uitspraken doet over de toepasselijkheid van de bepalingen van hoofdstuk 1a in een bepaalde context. De wettelijke regeling noopt partijen in te gaan op de omstandigheden waaronder zij menen dat de desbetreffende bepalingen ingeroepen kunnen worden. Op deze wijze zal door de praktijk de gewenste nadere invulling tot stand kunnen komen.

Wetsvoorstel Auteurscontractenrecht
Memorie van Toelichting
Advies Raad van State
Koninklijke Boodschap