Voorstel wijziging Mediawet 2008 teneinde het stelsel van de landelijke publieke omroep te moderniseren.
Dit wetsvoorstel tot wijziging van de Mediawet 2008 (hierna: Mediawet) zet daarom in op efficiëntere en effectievere inrichting van het bestaande bestel. Door bundeling van omroepverenigingen, betere samenwerking in het belang van de programmering als geheel en een daarbij passende budgetsystematiek, wordt de landelijke publieke omroep in staat gesteld om met minder geld efficiënt en slagvaardig te opereren. Daardoor blijft de publieke omroep ook in staat om op alle beschikbare aanbodkanalen een pluriform, onafhankelijk en hoogwaardig mediaaanbod te bieden voor zowel een breed publiek als voor specifieke publieksgroepen.
(…) De inrichting van het bestel wordt van een aangepaste structuur voorzien volgens het model dat het college van omroepen en de raad van bestuur van de Stichting Nederlandse Publieke Omroep (hierna: NPO) hebben ingediend. In dit zogenoemde ‘3-3-2’-model, hergroeperen de huidige omroepverenigingen zich tot zes omroeporganisaties, die samen met de twee taakorganisaties (NOS en NTR3) verantwoordelijk zijn voor de verzorging van het publieke media-aanbod. Dit zijn de drie samenwerkingsomroepen (KRO/NCRV, TROS/AVRO en VARA/BNN) en drie zelfstandige omroepen (EO, MAX, VPRO). Ook wordt in dit wetsvoorstel geregeld dat de huidige aspirant-omroepen (PowNed en WNL) nog voor de aanvang van de nieuwe erkenningperiode (1 januari 2016) moeten samenwerken met een van deze zes voorziene erkenninghouders, als zij hun aspirant-periode succesvol afronden.
Het landelijke publieke omroepbestel blijft open. Echter, wanneer een nieuwkomer als aspirant-omroep wordt toegelaten, moet hij zich voor de verzorging van het media-aanbod in de aspirant-periode aansluiten bij de NTR en later, als hij zijn plaats in het bestel naar de wettelijke voorwaarden heeft verdiend, bij een van de andere omroeporganisaties. (...)
Rechten
(…) Voor een goede uitvoering van de publieke taakopdracht, is het van cruciaal belang dat de samenwerkingsomroep volledig in staat is om de verzorging van het mediaaanbod voor zijn rekening te nemen. Dit houdt ook in dat de aan hem gelieerde verenigingen moeten zorgen dat de samenwerkingsomroep in staat is te voldoen aan de verplichting om alle media-aanbod dat geproduceerd is voor de publieke omroep om niet ter beschikking te stellen voor de verspreiding op alle aanbodkanalen van de publieke omroep. Dat geldt voor al het bestaande materiaal waarvan de rechten bij de onderliggende vereniging berusten. Dit zal bij de oprichting van de samenwerkingsomroep geregeld moeten worden. Eventuele rechten en verplichtingen ten opzichte van derden-rechtenhouders gaan eveneens over op de samenwerkingsomroep. Verder zal de samenwerkingsorganisatie ook de nevenactiviteiten gaan verzorgen, zoals de exploitatie van programmarechten- en merken. De betrokken verenigingen zullen er ook voor moeten zorgen dat de samenwerkingsomroep de exploitatie van de rechten volledig kan verzorgen. Inkomsten hieruit zijn voor de samenwerkingsomroep en worden ten behoeve van de programmering aangewend. (...)
Publiek-private samenwerking
Samenwerking tussen de publieke omroep en private partijen, waaronder bijvoorbeeld bedrijven uit de perssector, biedt kansen. Het publiek voor traditionele nieuwsmedia krimpt en het is zinvol om te bezien wat de mogelijkheden zijn voor samenwerking. Dat geldt ook voor de samenwerking tussen omroepen en culturele instellingen. Bij samenwerking met derden moet de publieke omroep altijd een aantal regels in acht nemen. Deze zijn vervat in de Mediawet en vloeien mede voort uit de Europese staatssteunregels:
- de redactionele verantwoordelijkheid en de onafhankelijkheid van de publieke omroep moeten overeind blijven; en
- er mogen geen publieke middelen of in het kader van de uitvoering van de publieke taak verkregen rechten weglekken naar commerciële activiteiten of commerciële partners. Dat beschermt ten eerste de beoogde besteding van belastingmiddelen en het voorkomt ten tweede onevenredige marktverstoring. Het kabinet wil publiek-private organisaties meer stimuleren te experimenteren met vormen van samenwerking, en hun toestaan deze samenwerkingsvormen in de praktijk te brengen zonder dat de publieke media-instellingen vooraf een zware goedkeuringsprocedure moeten ondergaan, zoals nu het geval is. De behoefte aan publiek-private samenwerking bestaat vooral in de regio. De onderzoeken van de afgelopen periode hebben dat ook als aangrijpingspunt genomen. Dit experimenteel samenwerken zal zich dan mogelijk vooral in de regio manifesteren, maar het is niet de bedoeling dat een wetsartikel dat deze vorm van experimenteren ondersteunt, zich strikt tot de regio beperkt.
Dit wetsvoorstel bevat daarom een bepaling die voor een selecte groep van nevenactiviteiten, namelijk die nevenactiviteiten die in samenwerking met mediabedrijven en culturele instellingen worden uitgevoerd, een uitzondering maakt op de regel dat sprake moet zijn van voorafgaande toestemming door het Commissariaat. In die gevallen is melding aan het Commissariaat voldoende. Na een periode van enkele jaren zal bekeken worden of en hoe de experimenten werken.
Lees het wetsvorostel en de toelichting hier.