Wijziging van de Wet toezicht en geschillenbeslechting collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten

Print this page 17-10-2019
B915872

Uit de Memorie van toelichting: “Het kabinet streeft naar slagvaardig en doelmatig toezicht op het collectief beheer van auteursrechten en naburige rechten. In de Wet toezicht en geschillenbeslechting collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten (hierna: de Wet toezicht) zijn de normen opgenomen waaraan collectieve beheersorganisaties (cbo’s) en onafhankelijke beheersorganisaties (obo’s) zich moeten houden. Deze wet wijst het College van Toezicht Auteurs- en naburige rechten (hierna: het College) aan als toezichthouder op de naleving van die normen. Het toezicht is de afgelopen jaren door verschillende wetswijzigingen versterkt en verbreed. De wetswijziging uit 2013 is in 2016 geëvalueerd. In lijn met de uitkomsten van de evaluatie vergroot dit wetsvoorstel de slagvaardigheid en doelmatigheid van het toezicht. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de toezeggingen die aan de Tweede Kamer zijn gedaan naar aanleiding van de wetsevaluatie.

 

Uitgangspunt bij het optreden van het College is dat zijn middelen en capaciteit worden ingezet waar het risico op normovertreding het grootst is. Het College moet met gezag kunnen ingrijpen wanneer de overtreding daar om vraagt. Sancties moeten voldoende effectief en afschrikwekkend zijn. Aan de andere kant moeten onder toezicht gestelde organisaties die de regels naleven hun activiteiten kunnen uitvoeren zonder ongerechtvaardigde hinder van het toezicht te ondervinden.

 

Aanscherping toezicht

Het wetsvoorstel voorziet in zes wijzigingen in de Wet toezicht, die het College in staat moeten stellen zijn middelen en capaciteit optimaal in te zetten. In de eerste plaats wordt geregeld dat het College een aanwijzing kan geven en vervolgens een bestuurlijke boete (hierna ook: boete) kan opleggen zonder dat het eerst advies hoeft uit te brengen aan een cbo. Ook regelt dit wetsvoorstel dat het College direct een boete kan opleggen als sprake is van recidive. Dit stelt het College in staat om door te pakken als de omstandigheden daartoe nopen (zie par. 3.1). In de tweede plaats wordt het handhavingsinstrumentarium van het College uitgebreid met het zogenoemde toezeggingsbesluit, een instrument dat de Autoriteit Consument en Markt (hierna: ACM) al kent. Dit geeft het College de mogelijkheid via een betrekkelijk eenvoudige procedure op korte termijn een gedragsverandering bij een cbo of obo te bewerkstelligen (zie par. 3.2). In de derde plaats krijgt het College de mogelijkheid om verscherpt toezicht uit te oefenen op cbo’s en obo’s. Het College kan verscherpt toezicht gaan houden als het gegronde redenen heeft om te twijfelen aan een juist beleid of juiste gang van zaken bij een cbo of obo. Het kan in dat geval aan de hand van een verbeterplan verbeteringen afdwingen. Ook kan het College beleidsregels vaststellen om de lasten van het toezicht te verlichten (zie par. 3.3). In de vierde plaats krijgt het College de mogelijkheid om bestuurders, directieleden en toezichthouders van cbo’s en obo’s met een omzet van meer dan 50 miljoen euro te toetsen op hun betrouwbaarheid en geschiktheid voor deze functies (zie par. 3.4). In de vijfde plaats wordt de reikwijdte van het preventieve toezicht verduidelijkt. Dat biedt zowel het College als de cbo’s en obo’s meer rechtszekerheid (zie par. 3.5).

 

Doorberekening toezichtkosten

Voorts stelt het kabinet, mede naar aanleiding van de uitkomsten van de evaluatie en in lijn met het rapport Maat houden uit 20143 voor om het toezicht niet langer volledig uit de algemene middelen te bekostigen, maar deels te bekostigen uit de algemene middelen en deels te laten bekostigen door de sector. De toezichtkosten worden dus niet meer volledig op de maatschappij afgewenteld, maar komen voor de helft voor rekening van cbo’s en obo’s (zie par. 3.6). Dat is tot op zekere hoogte vergelijkbaar met de toezichtkosten van de AFM en DNB, die sinds 2015 volledig worden doorberekend aan de financiële instellingen. De grond voor de doorberekening van de toezichtkosten aan cbo’s en obo’s is dat deze organisaties een afgesloten groep zijn die in hoge mate profijt hebben van het toezicht (het zgn. profijtbeginsel). Goed toezicht geeft ook de gebruikers van beschermde prestaties vertrouwen geven in het goed functioneren van die organisaties en de kwaliteit van de diensten die zij leveren.

 

Overige aanpassingen

Ten slotte brengt dit wetsvoorstel een aantal andere, kleinere wijzigingen aan in de Wet toezicht. Zo verplicht dit wetsvoorstel het College om elk jaar uiterlijk op 1 oktober het jaarverslag en het toezichtsrapport uit te brengen. Voorts regelt het wetsvoorstel dat de kosten voor onderzoek bij een cbo of obo waartoe het College aanleiding ziet, door de betrokken cbo of obo worden gedragen. Verder wordt de Wet toezicht zo aangepast dat een vacature in het College kan worden vervuld met de benoeming van een vervangend lid voor de periode van ten hoogste vier jaar, dus niet slechts voor de resterende benoemingsperiode van het afgetreden lid, zoals dat nu is geregeld. Dat bevordert de continuïteit van het College. Voorts wordt in de Wet toezicht verduidelijkt dat het College tevens tot taak heeft toezicht uit te oefenen op de naleving van de op obo’s rustende verplichtingen en handhavend kan optreden als een obo niet aan deze verplichtingen voldoet. Deze wijzigingen worden nader toegelicht in de artikelsgewijze toelichting.

 

Ter inleiding op de bespreking van de belangrijkste wijzigingen wordt allereerst kort stilgestaan bij het nut van collectief beheer van auteurs- en naburige rechten, de noodzaak van het toezicht op collectief beheer en de evaluatie van het wettelijke kader voor toezicht waaruit de voorgestelde wijzigingen merendeels voortvloeien.”

 

Lees het Voorstel van wet hier en de Memorie van toelichting hier.