3.4 - Bedrijfsgeheimen

Print this page

 

Bedrijfsgeheimen. Bedrijfsgeheimen zien op ideeën, kennis, informatie en data, die handelswaarde bezitten omdat zij geheim – in de zin van vertrouwelijk – zijn. Artikel 39(2) TRIPs spreekt – kort gezegd – over informatie die: (a) geheim is, (b) handelswaarde bezit omdat zij geheim is, en (c) onderworpen is aan redelijke maatregelen om deze geheim te houden. Bedrijfsgeheimen zien dus op vertrouwelijke informatie.
Alternatief voor octrooi. Met name voor veel technische werkwijzen geldt dat de “uitvinder” daarvan keuze heeft tussen het opteren voor een octrooirecht – waarbij het de werkwijze wel nawerkbaar openbaar dient te maken – of het koesteren daarvan als bedrijfsgeheim. In dat laatste geval komt zijn kennis in beginsel niet op straat te liggen en kan de beschermingsduur in de praktijk veel langer zijn dan de maximale periode van 20 jaar die het octrooirecht kan bieden.
Economisch belang. Dat bedrijfsgeheimen kunnen staan voor substantiële economische belangen is reeds een oud gegeven. Een sprekend voorbeeld is de receptuur van Coca Cola die al sinds het eind van de 19e eeuw als bedrijfsgeheim gekoesterd wordt.

Lindenbaum v Cohen. De bescherming van bedrijfsgeheimen is ook juridisch geen nieuw fenomeen. Dat wordt treffend geïllustreerd door het feit dat het baanbrekende Lindenbaum v Cohen-arrest van 1919 (IEPT19190119) betrekking had op de bescherming van bedrijfsgeheimen door het uitlokken van bekendmaking van bedrijfsgeheimen door een werknemer van een concurrent onrechtmatig te oordelen wegens schending van een maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm.

GBT v Ajinomoto. In het arrest van 29 maart 2011 in GBT v Ajinomoto (IEPT20110329) overwoog het Hof Den Haag dat de strekking van artikel 39 TRIPs geacht kan worden te zijn geïncorporeerd in artikel 6:162 BW, waarbij het Hof overigens in het midden liet of artikel 39 TRIPs “al dan niet een duidelijke en onvoorwaardelijke bepaling is die zich voor directe toepassing leent”. Dit oordeel werd in cassatie niet bestreden (HR, 13 september 2013, GBT v Ajinomoto (IEPT20130913).

Bedrijfsgeheimenrichtlijn 2016 en Wet Bescherming Bedrijfsgheimen 2018. De Europese harmonisatie van de door TRIPs voorgeschreven bescherming van bedrijfsgeheimen heeft plaatsgevonden met de Europese Bedrijfsgeheimenrichtlijn van 8 juni 2016 (2016/943). Deze richtlijn diende per 9 juni 2018 geïmplementeerd te zijn door de lidstaten (artikel 19). De Nederlandse Wet Bescherming Bedrijfsgeheimen (“WBB”) is in werking getreden op 23 oktober 2018.

Bedrijfsgeheimenrichtlijn en WBB. De richtlijn kent de bedrijfsgeheimenbescherming toe aan iedere rechtmatige “houder” van een bedrijfsgeheim, oftewel “iedere natuurlijke of rechtspersoon die rechtmatig over een bedrijfsgeheim beschikt” (artikel 2 richtlijn; artikel 1 WBB). Onder een “inbreukmaker” wordt vervolgens verstaan “iedere natuurlijke of rechtspersoon die een bedrijfsgeheim onrechtmatig heeft verkregen, gebruikt of openbaar gemaakt” en “inbreukmakende goederen” zijn alle “goederen waarvan het ontwerp, de kenmerken, de werking, het productieproces of het in de handel brengen aanzienlijk baat hebben bij bedrijfsgeheimen die onrechtmatig zijn verkregen, gebruikt of openbaar gemaakt” (artikel 2 richtlijn; artikel 1 WBB)..

Rechtmatige verkrijging. Cruciaal is het antwoord op de vraag of de verkrijging van het bedrijfsgeheim al dan niet rechtmatig heeft plaatsgevonden. Iedere rechtmatige houder – een persoon rechtmatig over het bedrijfsgeheim beschikt – geniet bescherming en kan tegen een derde die onrechtmatig over het bedrijfsgeheim beschikt optreden. Artikel 3 van de richtlijn (artikel 3 WBB) leert dat “de verkrijging” van een bedrijfsgeheim als rechtmatig is wordt beschouwd in geval van (a) onafhankelijke ontdekking of onafhankelijk ontwerp; (b) observatie, onderzoek, demontage of testen van een product of voorwerp dat ter beschikking van het publiek is gesteld of dat op een rechtmatige manier in het bezit is van de persoon die de informatie verwerft en die niet gebonden is aan een rechtsgeldige verplichting de verkrijging van het bedrijfsgeheim te beperken; (c) uitoefening van het recht van werknemers of werknemersvertegenwoordigers op informatie en raadpleging in overeenstemming met het Unie- en het nationale recht en de nationale praktijken; (d) iedere andere praktijk die, gezien de omstandigheden, in overeenstemming is met eerlijke handelspraktijken. Artikel 3(2) van de richtlijn (artikel 3(2) WBB) voegt daar nog aan toe dat het verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim wordt als rechtmatig beschouwd voor zover dit verkrijgen, gebruiken of openbaar maken bij het Unie- of nationale recht vereist of toegestaan is.

Inbreuk: onrechtmatige verkrijging, gebruik of openbaarmaking. Artikel 4 van de richtlijn (artikel 2 WBB) geeft aan wat als inbreuk aangemerkt dient te worden. Dat is allereerst iedere “verkrijging” van een bedrijfsgeheim zonder de toestemming van de houder van het bedrijfsgeheim, wanneer die verkrijging gebeurde door (a) onbevoegde toegang tot of het zich onbevoegd toe-eigenen of kopiëren van documenten, voorwerpen, materialen, substanties of elektronische bestanden waarover de houder van het bedrijfsgeheim rechtmatig beschikt en die het bedrijfsgeheim bevatten of waaruit het bedrijfsgeheim kan worden afgeleid, (b) andere gedragingen die, gezien de omstandigheden, worden beschouwd als strijdig met eerlijke handelspraktijken. Ten tweede is “gebruik” of “openbaarmaking” van een bedrijfsgeheim onrechtmatig wanneer dit, zonder de toestemming van de houder van het bedrijfsgeheim, wordt verricht door een persoon die (a) het bedrijfsgeheim op onrechtmatige manier verkregen heeft, dan wel (b) een inbreuk maken op een geheimhoudingsovereenkomst of een andere verplichting tot het niet openbaar maken van het bedrijfsgeheim, of (c) een inbreuk maken op een contractuele of andere verplichting tot beperking van het gebruik van het bedrijfsgeheim. Daarnaast is verkrijging, gebruik of openbaarmaking ook onrechtmatig wanneer op het moment van verkrijging, gebruik of openbaarmaking de betreffende persoon weet of, gezien de omstandigheden, had moeten weten dat het bedrijfsgeheim direct of indirect werd verkregen van een ander die het bedrijfsgeheim op een onrechtmatige manier gebruikte of openbaar maakte.

Inbreukmakende goederen. Van onrechtmatig gebruik is ook sprake door het “het produceren, aanbieden of in de handel brengen van inbreukmakende goederen, of de invoer, uitvoer of opslag van inbreukmakende goederen voor die doeleinden […] wanneer de persoon die dergelijke activiteiten uitvoert, wist of, gezien de omstandigheden, had moeten weten dat het bedrijfsgeheim onrechtmatig werd gebruikt” (artikel 4(5) richtlijn; artikel 2(4) WBB).