7 - Gemeenschappelijke IE-rechten

Print this page

 

Gemeenschap. Artikel 3:166(1) BW leert dat van een gemeenschap sprake is “wanneer een of meer goederen toebehoren aan twee of meer deelgenoten gezamenlijk.” Gemeenschap ziet op iedere situatie dat een goed – ofwel een vermogensrecht – toebehoort aan meer dan één rechthebbende. Gemeenschap ziet in wezen op vormen van ‘mede-eigendom’ van een vermogensrecht. Artikel 3:189 BW leert dat algemene regels betreffende de gemeenschap van titel 7 van Boek 3 BW niet gelden voor bijzondere gemeeschappen, zoals een huwelijksgemeenschap, gemeenschap van een geregistreerd partnerschap, maatschap of vennootschap, zolang deze niet ontbonden zijn. Artikel 189(2) BW geeft aan deze regel wel gelden voor de gemeenschap van een nalatenschap, voor een ontbonden – maar nog niet gescheiden en gedeelde – huwelijksgemeenschap, ontbonden gemeenschap van een geregistreerd partnerschap, maatschap of vennootschap.
Dwingend recht. Indien van een gemeenschap sprake is zijn de bepalingen van titel 7 van Boek 3 BW van toepassing. Die bepalingen zijn grotendeels van dwingend recht. Afwijking daarvan is slechts mogelijk, wanneer dat in de betreffende wetsbepaling expliciet is aangegeven (Mellema-Kranenburg, T&C Vermogensrecht, 2019, artikel 3:166, aant. 2).
Gelijke aandelen deelgenoten. Artikel 3:166(2) BW leert dat “de aandelen van de deelgenoten[...] gelijk [zijn], tenzij uit hun rechtsverhouding anders voortvloeit.” Een aandeel in een vermogensrecht is geen beperkt recht, aangezien een beperkt recht alleen op een onderliggend moederrecht gevestigd kan worden. Deelgenoten in een gemeenschap zijn gezamenlijk hoofdgerechtigden op een gemeenschappelijk gehouden vermogensrecht.
Redelijkheid en billijkheid. De onderlinge verhouding tussen de deelgenoten wordt beheerst door de aanvullende en beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Dat volgt uit artikel 3:166(3) BW, dat bepaalt dat op de rechtsbetrekkingen tussen de deelgenoten artikel 6:2 BW van overeenkomstige toepassing is. Deelgenoten zijn dus verplicht tegenover elkaarde eisen van redelijkheid en billijkheid in acht te nemen (artikel 6:2(1) BW). Tevens betekent dit dat een “tussen hen krachtens wet, gewoonte of rechtshandeling geldende regel” niet van toepassing is “voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn” (artikel 6:2(2) BW).
Beheersregeling. Artikel 3:168(1) BW leert dat de deelgenoten (i) het genot, (ii) het gebruik en (iii) het beheer van gemeenschappelijke goederen bij overeenkomst kunnen regelen. Wanneer een overeenkomst ontbreekt, dan zijn de deelgenoten aangewezen op het regime van Titel 7 van Boek 3 BW. Het is dus van groot praktisch belang om een beheersovereenkomst af te sluiten, indien partijen willen afwijken van wat het wettelijk regime voorschrijft. Indien partijen er niet in slagen om overeenstemming te bereiken, kan de kantonrechter er aan te pas komen om een nadere regeling te verordonneren. Artikel 3:168(2) BW geeft aan dat bij gebreke van een overeenkomst de kantonrechter op verzoek van de meest gerede partij een beheersregeling kan treffen, “zo nodig met onderbewindstelling van de goederen.” In dat geval houdt de kantonrechter “naar billijkheid rekening zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang rekening (artikel 3:168(2) BW). Een beheersregeling is ook bindend voor rechtsopvolgers van een deelgenoot (artikel 3:168(4) BW) en heeft dus goederenrechtelijk effect. Een bestaande regeling kan door de kantonrechter ook “wegens onvoorziene omstandigheden gewijzigd of buiten werking gesteld worden” (artikel 3:168(3) BW).

Bewindvoerder. Zie bijvoorbeeld de Playgo-beschikking van de Haagse kantonrechter van 21 juni 2012 (IEPT20120621), waarin een bewindvoerder werd aangewezen voor in gemeenschap gehouden merken en modellen. Die beschikking werd vervolgens vernietigd door het Hof Den Haag bij beschikking van 8 april 2014 (IEPT20140408), aangezien de kantonrechter geen internationale rechtsmacht toekwam ten opzichte van de in China en België gevestigde deelgenoten. Bovendien oordeelde het Hof dat niet vaststond dat de betreffende Gemeenschapsmerk- en -modelrechten inderdaad in gemeenschap gehouden werden en die vragen op grond van artikel 19(1) UMeV 2017 en artikel 27(1) GMoV uitsluitend door Belgisch recht beheerst werden.

Schriftelijke vastlegging. Het belang van een deugdelijke codificatie van gemaakte afspraken blijkt uit het arrest van het Hof Den Bosch van december 2015 in de Ice Care-procedure (IEPT20151208). De gestelde (afwijkende) afspraken inzake het beheer van een gemeenschappelijke octrooiaanvrage konden niet aannemelijk gemaakt worden, zodat de schriftelijke vastlegging uit 2007 prevaleerde. Zie ook: Van Nieuwenhuizen, BMM Bulletin 2016, p. 84-87.

Redelijkheidsverplichtingen. Voor een invulling door de rechter van waartoe deelgenoten naar redelijkheid gehouden zijn bij gebreke van een beheersovereenkomst kan verwezen worden naar het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 12 september 2018 (IEPT20180912) inzake de verdere doorontwikkeling van een website met onderzoekgegevens over Jheronimus Bosch. Dat hield in pnder in dat gedaagde (i) diende mee te werken aan de doorontwikkeling tot de website die partijen voor ogen had gestaan, (ii) zich niet kon verzetten tegen aanvulling van de website met meer recente onderzoekgegevens en (iii) de domeinnaam boschproject.org aan de gemeenschap – c.q. een stichting – diende over te dragen.

 

7.1 - Bevoegdheden deelgenoten in gemeenschap

7.2 - Bevoegdheden deelgenoten in IE-rechten

7.3 - Omvang gemeenschap

7.4 - Overdracht aandeel in gemeenschap

7.5 - Specifieke IE-regelingen gemeenschap

 

7.6 - Verdeling gemeenschap