9.2.1 - Algemeen

Print this page

Faillissement licentiegever. Indien een IE-rechthebbende licentiegever is, rijst de vraag in hoeverre de positie van zijn licentienemers door het faillissement geraakt wordt. Wanneer dit (exclusieve) exploitatielicenties zijn, welke wellicht een substantieel of cruciaal onderdeel van de bedrijfsvoering van een licentienemer betreffen, kan de impact van een faillissement enorm zijn, indien dat met zich brengt dat zij wellicht niet gebruik kunnen blijven maken van de eerder aan hen verleende exploitatielicentie. Tegelijkertijd wordt de manoeuvreerruimte van een curator ook substantieel beperkt, indien hij die eerder verleende licenties zou moeten blijven respecteren en het betreffende IE-recht niet vrij van licenties te gelde kan maken.

Faillissement licentienemer. De situatie dat een licentienemer failliet gaat kan voor een IE-rechthebbende uiteraard ook substantiële gevolgen hebben, maar in dat geval lijkt de IE-rechthebbende over voldoende middelen te beschikken om zijn positie veilig te stellen. Allereerst zal de licentieovereenkomst er veelal in voorzien dat de licentie beëindigd kan worden bij een faillissement van de licentienemer. Ten tweede kan de IE-rechthebbende de curator van de licentienemer op grond van artikel 37 Fw verzoeken om aan te geven of de curator de licentieovereenkomst gestand zal doen, en daarvoor zekerheid te stellen. Indien de curator van de licentienemer dat nalaat, verliest die curator het recht zijnerzijds nakoming van de verleende licentie te vorderen.

Verplichting tot dulden of nalaten. Door het faillissement worden verplichtingen tot nakoming van persoonlijke verbintenissen opgeschort. Die kunnen alleen maar ter verificatie worden ingediend (artikel 26 Fw juncto artikel 110 Fw). Betalingsverplichtingen van de failliet worden zo opgeschort en met name de concurrente schuldeisers zullen vervolgens genoegen moeten nemen met wat er in de boedel overblijft om hen naar rato van hun vorderingen te voldoen. Indien de gefailleerde echter niet hoeft te ‘betalen’, iets actief hoeft te doen, maar maar enkel passief moet dulden of nalaten – ofwel “op zijn handen moet blijven zitten” – rijst de vraag of een vordering tot nakoming van een dergelijke passieve verplichting wel geraakt wordt door het faillissement.

Ontwikkeling jurisprudentie. Aanvankelijk leek na het Nebula-arrest van 3 november 2006 (IEPT20061103) gevreesd te moeten worden dat een curator van een gefailleerde licentiegever de door die licentiegever verleende licenties niet hoefde te respecteren. Met het arrest van 11 juli 2014 in de zaak ABN AMRO v Berzona (IEPT20140711) schroefde de Hoge Raad de potentiële reikwijdte van de Nebula-leer echter nadrukkelijk terug tot de situatie, waarin ná het faillissement van een juridische eigenaar van een pand door de economische eigenaar op basis van een bestaande contractuele bevoegdheid alsnog een huurovereenkomst werd afgesloten. In zowel Nebula als Berzona stelde de Hoge Raad voorop dat een faillissement geen invloed heeft op bestaande wederkereige overeenkomsten en niet tot een wijziging leidt van de daaruit voortvloeiende verplichtingen. Na het Berzona-arrest van 2014 leek al geconcludeerd te mogen worden dat bij een faillissement van een licentiegever de curator, indien de licentienemer ten tijde van de faillissementsaanvraag in het genot is van het gelicentieerde, niet bevoegd is dat genot te beëindigen als de licentie nog loopt, tenzij een specifieke wettelijke of contractuele bepaling daarin zou voorzien. Problematisch voor de IE-praktijk was echter dat deze beide arresten niet specifiek zagen op licenties, maar op economsiche eigendom en huurovereenkomsten, zodat het de vraag was in hoeverre wat de Hoge Raad in die beide arresten zoal overwoog al dan niet ook op de verhouding tussen een IE-rechthebbende en diens licentienemers van toepassing zou zijn. Dat leidde tot veel speculatie in de literatuur. Duidelijkheid is vervolgens echter geschapen met het arrest Credit Suisse v Jongepier qq van 23 maart 2018 (IEPT20180323). Hoewel ook die zaak niet over IE-rechten en licenties ging liet de Hoge Raad zich in dat arrest daar desondanks expliciet over uit.

Credit Suisse. In het Credit Suisse-arrest van 28 maart 2018 (IEPT20180323) stelde Hoge Raad – verwijzend naar het Berzona-arrest – voorop dat faillissement de curator niet de bevoegdheid geeft om een door de schuldenaar voor het faillissement overeengekomen “voortdurende prestatie voor zover deze bestaat uit een dulden of nalaten, te beëindigen, zoals door intrekking van een verleende licentie […].” Een ten tijde van het faillissement bestaande duurverplichting van de gefailleerde, zoals een verplichting die voortvloeit uit een verleende licentie, blijft doorlopen in het faillissement en de curator heeft dan ook “niet de mogelijkheid om deze verplichting niet na te komen”. Wel kan de curator “gebruik maken van een eventueel in de overeenkomst of de wet geregelde mogelijkheid tot beëindiging.” Zolang een licentienemer een bestaande duurverplichting tot betaling van licentievergoedingen blijft nakomen, blijft de  tegenprestatie van de gefailleerde – zoals het verschaffen van het licentiegenot – evenzeer verschuldigd en kan de licentienemer zijn vorderingen ook ter verificatie indienen.

Curatoren-arrest. De positie van een licentienemer van een gefailleerde licentiegever is vervolgens nog verstevigd met het arrest van 9 november 2018 (Curatoren v Verhuurder, IEPT20181109). Daar oordeelde Hoge Raad dat het onbevoegd actief beëindigen door een curator van een verplichting om te dulden of na te laten (zoals in Credit Suisse  bedoeld), een handelen in strijd met een door de curator in die hoedanigheid na te leven verplichting is, zodat de daaruit voortvloeiende vordering een boedeslchuld oplevert. Een dergelijk handelen resulteert vervolgens ook in een persoonlijke aansprakelijkheid van de curator indien de curator persoonlijk een verwijt gemaakt kan worden. Dat zal bijvoorbeeld aan de orde zijn wanneer de curator willens en wetens tot een onbevoegde actieve beëindiging overgaat.


(i) Het Nebula-arrest (IEPT20061103)

(ii) ABN AMRO v Berzona (IEPT20140711)

 

(iii) Credit Suisse v Jongepier qq (IEPT20180323)

 

(iv) Curatoren v verhuurder (IEPT20181109)