Het Cicero-arrest

Print this page 31-01-2020
IEPT19541109, HR, Cicero

Cassatieberoep toneelvereniging Cicero verworpen; bestuur vereniging is schuldig aan schending auteursrechten bewerker toneelstuk (art. 31 Aw): voorwaardelijk opzet auteursrechtschending door toneelvereniging Cicero

 

AUTEURSRECHT


Voor de liefhebber van het Nederlandsch en de gulden publiceerde rechtspraak.nl op 12-12-2019 Het Cicero-arrest uit 1954.

 

Het Cicero-arrest gaat over het leerstuk van voorwaardelijk opzet bij de strafrechtelijke vervolging van auteursrechtschending. Het arrest is een door Rechtspraak.nl aangemerkt ‘mijlpaal’-arrest omdat de Hoge Raad in dit arrest voorwaardelijk opzet voor het eerst uitdrukkelijk erkent.

Requiranten, het bestuur van de toneelvereniging Cicero, komen op tegen het arrest van het hof Amsterdam van 23 maart 1954. Volgens het hof was bewezenverklaard dat requiranten op 25 november 1951 opzettelijk inbreuk hebben gemaakt op het auteursrecht van de maker (de bewerker van het Amerikaanse werk) van het toneelstuk “De man in Burger” door het toneelstuk op te (laten) voeren zonder dat de voor die opvoering verschuldigde rechten waren voldaan.

 

De toneelvereniging had via de Nederlandse Amateur Toneel Unie geïnformeerd bij het Internationaal Bureau voor Auteurs-en Opvoeringsrechten (IBVA) naar de voorwaarden voor het opvoeren van het betreffende toneelstuk. Volgens het IBVA waren de condities Fl. 25,00 voor iedere opvoering (vereiste 1) en voor de eerste opvoering moest het aankoopbewijs van 8 tekstboekjes worden overgelegd (vereiste 2).

 

Toneelvereniging Cicero twijfelt of het tweede vereiste niet ten onrechte wordt gesteld. Het toneelstuk wordt op 25 november 1951 opgevoerd. Aan het eerste vereiste is voldaan, aan het tweede niet. Omdat het aankoopbewijs van 8 tekstboekjes niet was overgelegd, was er geen opvoeringsvergunning verleend en werd het bestuur strafrechtelijk vervolgd wegens het medeplegen van het misdrijf: opzettelijk inbreuk maken op eens anders auteursrecht (artikel 31 Auteurswet). In hoger beroep wordt het bestuur per persoon veroordeeld tot een geldboete van een gulden, subsidiair een dag hechtenis en een eenmalige schadevergoeding aan de maker.

 

De bestuursleden hebben verklaard dat het hun bekend was dat voor de voorstelling geen opvoeringsvergunning verleend was en dat de vereniging niet had voldaan aan de gestelde voorwaarde, dat acht tekstboekjes van het toneelstuk moesten worden gekocht.

In haar cassatiemiddel stelt het bestuur dat zij niet aan de tweede voorwaarde had voldaan omdat zij in de veronderstelling verkeerde dat deze voorwaarde ten onrechte was gesteld, dat het IBVA had moeten aantonen dat de tweede voorwaarde niet ten onrechte was gesteld en dat het IBVA eigenlijk ook niet wist namens wie (de auteur, of de organisatie aan wie hij zijn rechten had overgedragen) zij deze voorwaarde stelde en dat van verdachten dan zeker niet verwacht kon worden dat zij het wel wisten. De auteursrechtinbreuk was dus volgens het bestuur niet opzettelijk.

 

De Hoge Raad concludeert echter dat er sprake is van voorwaardelijk opzet aan de kant van het bestuur omdat zij zich willens en wetens blootstelt aan de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans dat de tweede voorwaarde terecht was gesteld en ondanks dat het toneelstuk heeft opgevoerd zonder aan het tweede vereiste te voldoen.

 

IEPT19541109, HR, Cicero

 

ECLI:NL:HR:1954:1