Klassieker: Belangenafweging bij "perspublikatie" portret zonder toestemming
06-11-2025 Print this page
Spaarnestad is uitgeefster van het weekblad Panorama. In de nummers 7 en 11 van de jaargang 1989 van dit blad zijn fotografische afbeeldingen van E. gepubliceerd, zijnde portretten in de zin van de Auteurswet. Voor deze publicaties heeft E. geen toestemming gegeven.
Uit de Conclusie AG (ECLI:NL:PHR:1993:61):
b. De in Panorama 1989 nummer 7 gepubliceerde foto illustreerde een artikel over de zes beruchtste moordenaars van na de tweede wereldoorlog. In Panorama 1989 nummer 11 was een andere foto van E. gepubliceerd ter gelegenheid van het feit dat de fotograaf die deze foto had gemaakt daarmee de Zilveren Camera had gewonnen.
c. Laatstgenoemde foto is op 10 januari 1989 door het NOS-journaal op televisie vertoond. Bij schrijven van 24 januari 1989 heeft mr Sanders namens E. tegen deze vertoning geprotesteerd.
Tevens is deze foto opgenomen in het jaarboek "Het aanzien van 1988" van uitgeverij Het Spectrum. Bij schrijven van 24 januari 1989 heeft mr Sanders namens E. reeds bij voorbaat bezwaar gemaakt tegen eventuele publicaties van portretten van E. in het jaarboek.
d. Ten tijde van de publicatie van de eerste foto in Panorama was E. wegens moord op [naam] door het Gerechtshof te Amsterdam onherroepelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van twintig jaar en TBS. "
4. De rechtbank heeft voor recht verklaard dat de publicaties van de foto's jegens E. onrechtmatig waren en Spaarnestad deswege veroordeeld tot schadevergoeding op te maken bij staat. Het gevorderde verbod om foto's van E. andermaal te publiceren heeft zij afgewezen.
5 (…) Voorzover relevant in cassatie (…) indien is vastgesteld dat de geportretteerde een redelijk belang heeft dat zich tegen publicatie verzet, de publicatie onrechtmatig is, zonder dat zijn belangen nog dienen te worden afgewogen tegen andere - wellicht ook redelijke - belangen, zoals bijvoorbeeld het belang van de vrije nieuwsgaring. Art. 21 Aw zou voor een dergelijke belangenafweging geen ruimte bieden, aldus de rechtbank.
6. (…) Vervolgens overweegt het hof in r.o. 4.4 dat door de publicatie van de foto's E.'s belangen onmiskenbaar worden geschaad, maar dat dit nog niet (zonder meer) betekent dat E. ook een redelijk belang heeft als bedoeld in art. 21 Aw. Immers, aldus het hof, of zodanig redelijk belang aanwezig is, hangt mede af van de belangen van Spaarnestad bij de uitoefening van haar recht op vrijheid van meningsuiting, waaronder begrepen het verschaffen van nieuws en informatie. Mitsdien dienen in de oordeelsvorming over de al of niet onrechtmatigheid van de publicaties alle betrokken belangen te worden afgewogen. Welke dit zijn en hoe zwaar ze in aanmerking worden genomen, is te vinden in r.o. 4.5 - 4.18. Na afweging oordeelt het hof dat in de gegeven omstandigheden de publicaties van de gewraakte foto's geen onrechtmatige inbreuk hebben gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van E.
Uit het arrest:
3.3 (...) Een dergelijke opneming levert in beginsel een toelaatbaar citaat op, mits de afbeelding samen met de tekst van de bespreking redelijkerwijs kan worden beschouwd als één geheel dat ertoe strekt om aan de lezer een indruk van het betreffende boek te geven. Voor het antwoord op de vraag of dit het geval is, kan mede van belang zijn of in de geschreven tekst ook de illustraties van het boek ter sprake komen, maar in het algemeen zal dit niet beslissend zijn, aangenomen dat het verband tussen tekst en afbeelding, bijv. door plaatsing en onderschrift daarvan, voldoende duidelijk is. De opneming zal evenwel de grenzen van een toelaatbaar citaat te buiten gaan, wanneer op de afbeelding, bijv. door de omvang daarvan in vergelijking met de tekst of door de wijze van opmaak van het dagblad of tijdschrift, een zodanige nadruk komt te liggen dat zij in overwegende mate de functie van versiering van dat dagblad of tijdschrift verkrijgt.
Bij een boekillustratie bestaat reeds voldoende "duidelijk verschil met het oorspronkelijke werk" in de zin van art. 15a, tweede lid, wanneer die illustratie los van het boek, maar in de hiervoor weergegeven samenhang met de boekbespreking in het dagblad of tijdschrift wordt afgedrukt. Een afwijkend formaat of een afwijkende omlijning is in deze situatie in beginsel niet vereist.
3.4 In het licht van de hiervoor in 3.3 voor gevallen als het onderhavige ontwikkelde maatstaf laten de feiten in deze zaak geen andere conclusie toe dan dat de voormelde afbeelding een toelaatbaar citaat oplevert. De afbeelding vormt onmiskenbaar één, op informatie van de lezer gericht geheel met de bespreking van het boek, waarin ook de illustraties ter sprake komen. Van een nadruk op de afbeelding die haar als citaat ontoelaatbaar zou maken, is onmiskenbaar geen sprake.