IEPT20071129, Hof Amsterdam, Charlie en Chaplin

Print this page 03-02-2008
IEPT20071129, Hof Amsterdam, Charlie en Chaplin

AUTEURSRECHT


 


Verval auteursrecht bij gebreke modelrechtelijke instandhoudingsverklaring
Nu ten tijde van het verstrijken van de geldigheidsduur van de inschrijving van het modeldepot (in 1993) het auteursrecht aan haar toebehoorde, bracht de werking van 21 lid 3 BTMW (oud) mee dat toen ook het auteursrecht met betrekking tot de Charly en de Chaplin is vervallen. Dat artikel 21 BTMW inmiddels (sedert 1 december 2003) niet meer geldt, maakt dit niet anders

4Anders dan de voorzieningenrechter is het hof van oordeel dat dit betoog moet worden verworpen. Ingevolge de BTMW komt aan de werking van een modeldepot een einde (onder meer) door nietigverklaring van het depot in verband met daaraan klevende gebreken (waaronder, blijkens het bepaalde in artikel 15 uitdrukkelijk ook het geval dat het uitsluitend recht niet wordt verkregen als gevolg van het niet voldoen aan de nieuwheidseis - vgl. de artikelen 4 en 15 BTMW zoals die tot 1 december 2003 luidden), voorts door vrijwillige doorhaling en door het verstrijken van de geldigheidsduur van de inschrijving van het depot (vgl. artikel 7 BTMW). In alle genoemde gevallen verbond artikel 21 lid 3 BTMW aan het eindigen van (de werking van) het depot de consequentie dat, tenzij een instandhoudingsverklaring was afgelegd, ook het aan de deposant toekomend auteursrecht op het desbetreffende model verviel. Dat het bepaalde in artikel 21 lid 3 BTMW bij het verstrijken van de geldigheidsduur van de inschrijving toepassing zou missen in het geval dat het model weliswaar niet aan de nieuwheidseis voldeed doch geen nietigverklaring op die grond was gevorderd en in rechte was uitgesproken is onverenigbaar met de systematiek van de BTMW zoals die onder meer uit de hier besproken bepalingen voortvloeit. Nu uit de stellingen van partijen, zoals nader toegelicht ter zitting, volgt dat in ieder geval vanaf omstreeks 23 februari 1990 en derhalve ten tijde van het verstrijken van de geldigheidsduur van de inschrijving van het modeldepot (in 1993) het auteursrecht aan haar toebehoorde, bracht de werking van 21 lid 3 BTMW (oud) mee dat toen ook het auteursrecht met betrekking tot de Charly en de Chaplin is vervallen. Dat artikel 21 BTMW inmiddels (sedert 1 december 2003) niet meer geldt, maakt dit niet anders.


 


Berner Conventie beschermt geen Nederlanders
Montis heeft nog betoogd dat het bepaalde in de artikelen 21 en 24 BTMW (oud) buiten toepassing moeten worden gelaten omdat deze artikelen in strijd zijn met (onder meer) artikel 5 lid 2 van de Berner Conventie. Dit betoog stuit echter af op het feit dat het hier om een geschil tussen twee Nederlandse vennootschappen gaat en de Berner Conventie derhalve toepassing mist.


 


SLAAFSE NABOOTSING


 


Geen verwarringwekkende gelijkenis
Op grond van zijn waarneming is het hof van oordeel dat van een verwarringwekkende gelijkenis geen sprake is
Montis heeft in eerste aanleg aan haar vordering, naast inbreuk op een aan haar toekomend auteursrecht, als onrechtmatig te kwalificeren (slaafse) nabootsing ten grondslag gelegd. Voorop moet worden gesteld dat het nabootsen van niet (meer) door een bijzondere wet beschermde producten op zichzelf niet onrechtmatig is. Grond om hier anders over te oordelen kan er zijn indien tussen de Beat van Goossens en de Charly en de Chaplin van Montis een zodanige mate van gelijkenis bestaat dat als gevolg daarvan gevaar voor verwarring is te duchten en deze verwarring vermijdbaar is zonder aan de deugdelijkheid en bruikbaarheid van het product af te doen. Ter gelegenheid van de pleidooien in hoger beroep zijn de stoelen getoond. Op grond van zijn waarneming is het hof van oordeel dat van een verwarringwekkende gelijkenis geen sprake is. Het hof wijst er in dit verband op dat hoewel er zeker sprake is van gemeenschappelijke vormelementen, er tevens verschillen zijn die maken dat de Beat voldoende afstand houdt van de Charly en de Chaplin om gevaar voor verwarring in vorenbedoelde zin te vermijden. Zo ontbreekt bij de Beat het kruis dat de poten van de Charly en de Chaplin aan de onderzijde verbindt, en ontbeert de Beat de sierlijke S-vormige kromming (door Montis omschreven als belijning van de rugleuning, doorgezet in de achterpoten) die het zijaangezicht van Charly en de Chaplin bepaalt. Langs de naden van de Beat is aan weerszijde stiksel aangebracht en de middennaad van de rugleuning loopt bij de Beat - anders dan bij de Charly en de Chaplin - niet door in de zitting. De Beat maakt mede als gevolg van de hierbeschreven verschillen een plompere en minder gestileerde totaalindruk dan de Charly en de Chaplin en zal door de gemiddeld geïnformeerde omzichtige en oplettende gewone consument daarmee niet worden verward.


 


PROCESKOSTEN


Kosten deskundige niet vergoed
De opgegeven kosten die betrekking hebben op het advies van Prof. Mr. A.A. Quaedvlieg acht het hof niet redelijk en evenredig en mitsdien niet toewijsbaar nu de advocaat van Goossens een specialistentarief hanteert en derhalve niet valt in te zien waarom hij een deskundige diende te raadplegen.


 


IEPT20071129, Hof Amsterdam, Charlie en Chaplin