IEPT20080108, Rb Den Haag, Norma v SONT en Staat

Print this page 08-01-2008
IEPT20080108, Rb Den Haag, Norma v SONT en Staat

AUTEURSRECHT


AMvB inzake voorwerpen en tarief Thuiskopieregeling niet buiten werking gesteld


Minister bevoegd tot vaststellen nadere regels ex artikel 16c(6) Aw inzake voorwerpen en vaststellen tarief
Het tweede AMvB betreft zowel de grondslag als de hoogte van de heffingen. Uit de considerans van het besluit blijkt dat de minister artikel 16c lid 6 Aw in aanmerking heeft genomen alwaar is bepaald dat en wanneer en hoe de minister “nadere regelen” kan geven. (...). De wettelijke opdracht aan de deelnemers in het SONT overleg betreft zowel de vaststelling van de grondslag van de heffing als de bepaling van de hoogte van de heffing. Hierboven is ten aanzien van de aanwijzing van voorwerpen overwogen, dat indien betalingsplichtigen en rechthebbenden niet tot een besluit komen, er geen SONT besluit is. De minister heeft dan de ruimte voor de vaststelling van “nadere regelen”. Dit geldt ook voor de vaststelling van het tarief. Voorshands is de voorzieningenrechter daarom van oordeel dat de minister de aangevallen besluiten bevoegd genomen heeft.


Besluit voldoende gemotiveerd met verwijzing naar 57 miljoen aan onverdeelde repartitiegelden
De minister motiveert zijn tweede besluit met name door een verwijzing naar het hierboven onder 4.13 kort omschreven repartitieprobleem. In de Nota van Toelichting onderkent de minister dat het genoemde bedrag van 57 miljoen euro, dat volgens het College van Toezicht Auteursrecht eind 2005 onverdeeld zou zijn, enige nuancering behoeft. Dat laat evenwel onverlet, volgens de minister: “dat de omvang van de ultimo 2005 onverdeelde gelden hoog is in relatie tot de totale omvang van de incasso in 2005 van circa 26 miljoen euro. (...) Een stelsel waarin wel wordt geïnd, maar onvoldoende wordt uitgekeerd, dreigt zijn legitimatie te verliezen. Incasso veronderstelt immers repartitie.


AMvB doet voldoende recht aan de belangen van alle betrokkenen.


Eventuele strijd met recht op billijke vergoeding ex artikel 16c Aw gaat kader kort geding te buiten
Norma stelt dat de besluiten in strijd zijn met artikel 16c Aw omdat geen recht wordt gedaan aan het beginsel dat een billijke vergoeding verschuldigd is voor de rechtmatige inbreuk op een beschermd werk door reproductie van het werk op een daartoe bestemd voorwerp. Door de besluiten worden de zogenoemde Nieuwe Voorwerpen (nog steeds) niet in de heffing betrokken terwijl het volgens Norma voorwerpen bestemd voor de in artikel 16c lid 1 Aw bedoelde reproductie zijn. Omdat het stelsel ook ziet op de Nieuwe Voorwerpen dient er ook een billijke vergoeding in de zin van artikel 16c lid 2 Aw te worden bepaald. De stelligheid van NORMA is niet goed te verenigen met de impasse in het besluitvormingsproces in SONT. Binnen SONT is er immers de grootst mogelijke verdeeldheid over de vraag wat rechtens is met betrekking tot de Nieuwe Voorwerpen. Door te opteren voor een standstill heeft ook de minister hierin geen stelling betrokken. Zoals hierboven overwogen is dat niet onredelijk. Het gaat het bestek van dit kort geding te buiten indien de voorzieningenrechter zich hierover wel zou uitspreken. Deze kwestie betreft een van de rechtsvragen die in het bodemgeschil op vordering van STOBI en FIAR aan de orde zijn gesteld en waarvan thans wordt voorzien dat op korte termijn uitspraak zal worden gedaan. NORMA heeft geen spoedeisendheid gesteld in die zin dat niet op de uitspraak in het bodemgeschil kan worden gewacht


Artikel 16c vooralsnog beoordeeld als correcte implementatie richtlijn en conform driestappentoets
De driestappen toets is vastgelegd in artikel 5 lid 5 van de Auteursrechtrichtlijn. Deze toets houdt in dat beperkingen op het auteursrechte en het naburig recht slechts zijn toegestaan indien zij: I. in bepaalde gevallen worden toegepast; II. geen afbreuk doen aan de normale exploitatie van werken of ander materiaal; III. de wettige belangen van rechthebbende niet onredelijk schaden.
Voorshands neemt de voorzieningenrechter tot uitgangspunt dat met artikel 16c Aw de wetgever heeft voorzien in een correcte implementatie van de het stelsel van de Auteursrichtlijn en dat daarmee ook recht is gedaan aan de driestappentoets. Hierboven is overwogen dat het buiten het bestek van dit kort geding zou gaan indien de voorzieningenrechter een voorlopig oordeel zou geven over de vraag of het tweede AMvB in overeenstemming is met artikel 16c Aw. Om dezelfde reden als hiervoor dient dit ook te gelden voor toetsing aan de Auteursrechtrichtlijn.


AMvB niet in strijd met bescherming eigendom conform artikel 1, Eerste Protocol, EVRM
Artikel 1 eerste protocol EVRM ziet op bescherming van eigendom. Onder eigendom is ook te rekenen intellectuele eigendom zoals auteursrecht of naburig recht. Nu de inbreuk op de door NORMA bedoelde eigendomsrechten wordt gelegitimeerd door artikel 16c Aw begrijpt de voorzieningenrechter dat NORMA bedoelt dat artikel 16c Aw (en de Auteursrechtrichtlijn) door de minister onvoldoende in acht worden genomen en dat daardoor sprake is van schending van artikel 1 eerste protocol. NORMA vraagt derhalve opnieuw een toetsing van de besluiten aan artikel 16c Aw en de Auteursrechtrichtlijn. Hierboven heeft de voorzieningenrechter al aangegeven dat en waarom daartoe in dit kort geding geen ruimte is.


 


PROCESRECHT


Proceskosten
Volledige proceskosten van gevoegde partij toegewezen ex artikel 1019h Rv

NORMA verzet zich tegen toewijzing van de volledige proceskosten aan STOBI. Zij stelt dat als gevoegde partij niet een in “het gelijk gestelde partij” in de zin van artikel 1019h Rv kan zijn, en dat het voor haar niet voorzienbaar was dat STOBI zich zou voegen. Zij acht ook de door STOBI opgegeven kosten niet redelijk en evenredig. STOBI is partij geworden in deze procedure door de voeging welke door de voorzieningenrechter is toegelaten. Daargelaten dat artikel 1019h Rv niet de eis stelt dat voorzienbaar moet zijn geweest dat enige partij als de “in het gelijk gestelde partij” zou worden aangemerkt, heeft NORMA niet inzichtelijk gemaakt dat het voor haar onvoorzienbaar was dat STOBI zich zou voegen. NORMA ontleent haar bestaansrecht en haar bestaansmogelijkheid volledig aan de door STOBI gefourneerde gelden. Zij heeft in deze procedure vorderingen ingesteld die er uiteindelijk toe zouden moeten leiden dat STOBI meer moet betalen, welke meeropbrengst ten goede zou moeten komen onder andere aan de leden van NORMA. De voeging was dan ook zeker voorzienbaar.



 


IEPT20080108, Rb Den Haag, Norma v SONT en Staat