IEPT20080116, Hof Leeuwarden, Verwijdering kunstwerken Loppersum

Print this page 21-01-2008
IEPT20080116, Hof Leeuwarden, Verwijdering kunstwerken Loppersum

AUTEURSRECHT


 


Verwijdering
De verwijdering van de afzonderlijke kunstobjecten heeft niet in strijd met de Auteurswet plaatsgevonden.
Voorop moet worden gesteld dat noch de Auteurswet noch enige andere wettelijke regeling de verplichting kent voor de eigenaar van een werk om dit werk openbaar te maken en/of na openbaarmaking hiermee voor onbepaalde tijd door te gaan. Een en ander geldt te meer nu het in deze zaak om kunstwerken gaat die gedurende een periode van bijna twintig jaren ter plaatse aanwezig zijn geweest, deels zijn vergaan, en waarvan voldoende aannemelijk is geworden dat het merendeel van de resterende (afzonderlijke) kunstwerken vanwege een herinrichting en gedeeltelijke functiewijziging van de directe omgeving niet op de oorspronkelijke plek gehandhaafd kon blijven.


 


Onredelijk verzet tegen wijziging
het recht van VOKO om zich te verzetten tegen de wijziging in het werk zou, gelet op alle omstandigheden van het geval, in strijd zijn met de redelijkheid.

Nog daargelaten of de verwijdering van de kunstobjecten als een wijziging in de zin van art. 25, eerste lid, aanhef en onder c, Auteurswet van het kunstwerk in zijn geheel gezien kan worden, is het hof voorshands van oordeel dat - zoals de gemeente tot haar verweer heeft aangevoerd - het recht van VOKO om zich te verzetten tegen de wijziging in het werk gelet op alle omstandigheden van het geval in strijd zou zijn met de redelijkheid.


 


Geen gehoudenheid tot (door)onderhandelen
Niet is gebleken van zo'n uitzonderlijke situatie dat de gevorderde ordemaatregel geïndiceerd zou zijn
.
Verder overweegt het hof dat, voor zover VOKO heeft willen betogen dat het "afbreken" door de gemeente van de onderhandelingen over de herplaatsing van de beelden als zodanig onrechtmatig jegens hem is, de vordering tot (kort gezegd) het heropenen van het overleg ook niet op die grond toewijsbaar is. Het hof is van oordeel dat in dit geding niet is gebleken van zo'n uitzonderlijke situatie dat de gevorderde ordemaatregel - die neerkomt op het gebod om opnieuw over de herplaatsing van de kunstobjecten in onderhandeling te treden, welk overleg naar vordering van VOKO ook nog dient te resulteren in een vooraf vastgestelde uitkomst - geïndiceerd zou zijn.


 


OVEREENKOMST


Kwijting geen afstand van recht persoonlijkheidsrechten
enkele aanvaarding van het hiervoor bedoelde voorstel van de gemeente (inclusief de daarin opgenomen "kwijtingsclausule") niet kan worden afgeleid dat daarmee een overeenkomst van afstand als bedoeld in art. 6:160 BW tot stand is gekomen, waarbij VOKO afstand heeft gedaan van zijn recht om vorderingen wegens schending van zijn (persoonlijkheids)rechten jegens de gemeente in te stellen, ook in het geval de gegeven opdracht niet tot het (op enigerlei wijze) herplaatsen van de beelden zou leiden


 


PROCESRECHT


Spoedeisend belang
voldoende spoedeisend belang nu de vorderingen beogen te bewerkstelligen dat de (beweerde) inbreuken op de persoonlijkheidsrechten van VOKO worden weggenomen en eerst recent is gebleken dat het minnelijk overleg over herplaatsing van de beelden is mislukt
Het hof is van oordeel dat dit verweer voor het overgrote deel van de vorderingen niet opgaat en - zoals hierna zal blijken - slechts doel treft voor zover het gaat om de subsidiaire vordering onder IV van het petitum van de appeldagvaarding tot betaling van een voorschot ad € 50.000,00 op een door VOKO gevorderde "algehele schadevergoeding". Voor het overige bestaat er voldoende spoedeisend belang nu de vorderingen beogen te bewerkstelligen dat de (beweerde) inbreuken op de persoonlijkheidsrechten van VOKO worden weggenomen en eerst recent is gebleken dat het minnelijk overleg over herplaatsing van de beelden is mislukt.
Geen spoedeisend belang bij geldvordering
Wat betreft de hiervoor bedoelde subsidiaire vordering onder IV van het petitum overweegt het hof thans reeds als volgt. Volgens vaste jurisprudentie geldt dat met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, zo het bestaan van deze vordering al voldoende aannemelijk is, terughoudendheid op zijn plaats is en dat dienaangaande naar behoren feiten en omstandigheden moeten worden aangewezen die meebrengen dat een zodanige voorziening uit hoofde van onverwijlde spoed geboden is (zie recent nog HR 15 juni 2007, RvdW 2007, 583). Het hof is van oordeel dat VOKO met betrekking tot dit onderdeel van zijn vorderingen niet aan de hiervoor bedoelde motiveringsplicht heeft voldaan. Reeds om die reden bestaat er geen grond om de gevorderde voorziening toe te wijzen.



 


IEPT20080116, Hof Leeuwarden, Verwijdering kunstwerken Loppersum