IEPT20080118, HR, Oorlogsverleden

Print this page 20-01-2008
IEPT20080118, HR, Oorlogsverleden

PUBLICATIE


 


Open brief  op één lijn met perspublicatie
Het Hof mocht bijzondere betekenis toekennen aan het feit dat [verweerster] zich met de open brief tot een breed publiek heeft gericht teneinde vraagtekens te plaatsen bij het door [eiser] in "Het Uur van de Wolf" publiekelijk geschetste beeld van zijn motief om [betrokkene 1] te doden en van zijn invrijheidstelling in 1946 en het is gerechtvaardigd de open brief op één lijn met een perspublicatie te stellen.

Bij de beoordeling van de onderdelen is van belang dat uit de rechtspraak van het EHRM blijkt dat de persvrijheid in het kader van de ingevolge art. 10 EVRM te verrichten afweging een bijzondere plaats inneemt met als reden dat de pers zijn "vital role" van "public watchdog" moet kunnen spelen. Inmiddels kan echter (mede) door de opkomst van het internet niet nauwkeurig meer worden omschreven wat in de hier bedoelde zin is te verstaan onder "de pers" omdat daardoor ook voor particulieren de mogelijkheid is ontstaan zich buiten de tot dan toe bestaande media tot een breed publiek te richten. Het hof heeft, tegen de geschetste achtergrond, blijkbaar bedoeld bij deze ontwikkeling aansluiting te zoeken. Het heeft dit gedaan door, bij de te dezen te verrichten afweging (zie hiervoor in 3.4.1), bijzondere betekenis toe te kennen aan het feit dat [verweerster] zich met de open brief - een publicatie op het internet op de persoonlijke website van [verweerster] - tot een breed publiek heeft gericht gericht teneinde vraagtekens te plaatsen bij het door [eiser] in "Het Uur van de Wolf" publiekelijk geschetste beeld van zijn motief om [betrokkene 1] te doden en van zijn invrijheidstelling in 1946. Daarmee heeft zij volgens het kennelijke oordeel van het hof mede in het algemeen belang gehandeld, zodat het gerechtvaardigd is de open brief op één lijn te stellen met een perspublicatie. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het is ook niet onbegrijpelijk gemotiveerd.


 


Open brief vergelijkbaar met een column
Oordeel Hof dat de open brief met een column gemeen heeft dat daarin niet (in de eerste plaats) een feitelijk relaas wordt gedaan, maar een mening of oordeel wordt gepresenteerd op een prikkelende wijze niet onbegrijpelijk.


 


Waardeoordeel
Zelfs bij een louter waardeoordeel is een voldoende feitelijke basis vereist, omdat ook een waardeoordeel excessief en daarom onrechtmatig kan zijn, indien elke feitelijke basis ontbreekt
In deze zaak gaat het om de beoordeling van een meningsuiting waarin vraagtekens worden geplaatst bij de versie die [eiser] in "Het Uur van de Wolf" heeft gegeven van de motieven die hem in 1943 ertoe hebben gebracht [betrokkene 1] om het leven te brengen (zie hiervoor in achtereenvolgens 3.1(vii) en 3.1(i)). Zoals het EHRM heeft geoordeeld kan, zelfs wanneer sprake is van een (louter) waardeoordeel, de proportionaliteit van de inbreuk op door art. 8 EVRM beschermde rechten ervan afhangen of een voldoende feitelijke basis bestond voor de desbetreffende uiting, omdat zelfs een waardeoordeel excessief en daarom onrechtmatig kan zijn indien elke feitelijke basis daarvoor ontbreekt (vgl. onder meer EHRM 19 december 2006, nr. 18235/02).


 


Klemmende redenen voor publicatie
Niet onbegrijpelijk dat het hof klemmende redenen van publiek belang aanwezig heeft geacht die het publiceren en onder de aandacht van het publiek brengen van de open brief rechtvaardigden, waaronder de omstandigheid dat [eiser] in "Het Uur van de Wolf" andermaal de publiciteit heeft gezocht en dat hij in die televisieuitzending ten onrechte de indruk heeft gewekt na zijn veroordeling volledig te zijn gerehabiliteerd

Gelet op de door het hof aangehaalde omstandigheden dat [eiser] in "Het Uur van de Wolf" andermaal de publiciteit heeft gezocht en dat hij in die televisieuitzending ten onrechte de indruk heeft gewekt na zijn veroordeling volledig te zijn gerehabiliteerd, getuigt het niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het evenmin onbegrijpelijk dat het hof klemmende redenen van publiek belang aanwezig heeft geacht die het publiceren en onder de aandacht van het publiek brengen van de open brief rechtvaardigden. Daarbij kan overigens in het midden blijven of ter rechtvaardiging van de open brief de eis gesteld moet worden dat voor de publicatie klemmende redenen van publiek belang bestaan, nu het immers niet gaat om een "zowel grievende als onterende beschuldiging van roofmoord" (rov. 5.10 van het Paroolarrest), maar naar de vaststelling van het hof - die, zoals hierna zal blijken, in cassatie tevergeefs wordt bestreden - slechts om een "op cynische, provocerende wijze aan de kaak stellen" van het verhaal van [eiser] dat het doden van [betrokkene 1] een verzetsdaad was.


 


Enkel vraagtekens bij kwalificatie ‘verzetsdaad’ 
Mede tegen deze achtergrond heeft het hof een niet onbegrijpelijk oordeel gegeven door de geciteerde passage aldus te lezen dat [verweerster] daarin, overigens in prikkelende bewoordingen, heeft gesteld dat zij niet gelooft dat het doden van [betrokkene 1] door [eiser] een verzetsdaad is.
Anders dan Middelburg in de publicaties die hebben geleid tot het Paroolarrest, heeft zij immers niet de beschuldiging uitgesproken dat [eiser] zich heeft schuldig gemaakt aan roofmoord, maar heeft zij zich ertoe beperkt vraagtekens te zetten bij de motieven die [eiser] in "Het uur van de Wolf" heeft gegeven voor zijn daad. Voorts is de open brief geen onderzoeksjournalistiek of pretendeert deze dat te zijn, maar gaat het om een opiniërende publicatie. Ook de omstandigheid dat de passage, op zichzelf gelezen, anders kan worden uitgelegd - namelijk aldus dat [verweerster] daarin in wezen de door Middelburg in Het Parool uitgesproken beschuldiging heeft herhaald dat [eiser] met het doden van [betrokkene 1] geen verzetsdaad heeft gepleegd, maar werd bewogen door de zucht naar geldelijk gewin - maakt het oordeel van het hof nog niet onbegrijpelijk. De onderdelen betogen voorts - terecht - niet dat voor de onderhavige uiting geen enkele feitelijke basis aanwezig was. Met zijn oordeel dat vraagtekens gezet kunnen worden bij de juistheid van de bewering dat hier sprake was van een daad van verzet, heeft het hof klaarblijkelijk gerefereerd aan rov. 9 van het vonnis van de rechtbank, waarin met name wordt aangehaald (i) dat niet eerst naar een ander onderduikadres voor [betrokkene 1] is gezocht, (ii) dat [eiser] op eigen naam het bootje heeft gehuurd waarmee het lijk is weggevoerd, (iii) dat hij na zijn aanhouding de naam heeft genoemd van degene die hem daarbij geholpen heeft, (iv) dat [eiser] vrijwel meteen na zijn aanhouding heeft verklaard dat het slachtoffer een ondergedoken jood was, en (v) dat hij niet consistent heeft verklaard over wat er is gebeurd met het geld van [betrokkene 1] (naar [verweerster] onweersproken heeft gesteld, heeft [eiser] in het kader van de pensioenprocedure erkend f 250,-- te hebben gevonden in de bezittingen van [betrokkene 1] en zich dat geld te hebben toegeëigend).


 


IEPT20080118, HR, Oorlogsverleden