IEPT20080213, Rb Utrecht, Verzekeraars v PGGM

28-02-2008 Print this page
IEPT20080213, Rb Utrecht, Verzekeraars v PGGM

ONEERLIJKE CONCURRENTIE

 

Bedrijfstakpensioenfondswet
Ruime interpretatie artikel 5 Wet Bpf niet voor de hand liggend
Artikel 5 Wet Bpf  vormt een beperking op het gebruik van een handelsnaam, en in het licht van het feit dat deze beperking een uitzondering vormt op het algemene uitgangspunt van vrijheid van gebruik van een handelsnaam, ligt een ruime interpretatie van deze bepaling niet voor de hand. Voorts is ook de rechtszekerheid niet gediend bij een interpretatie van dit artikel die te veel afwijkt van hetgeen de bepaling volgens de letterlijke tekst daarvan beoogt te verbieden.
Artikel 5 Wet Bpf ziet niet op overdracht naam
De omstandigheid dat - zoals de Verzekeraars hebben gesteld - de aanleiding om artikel 5 te wijzigen onder meer gelegen was in het feit dat het op basis van de oude tekst van artikel 5 nog mogelijk was om de naam van een bedrijfstakpensioenfonds in licentie te verstrekken aan derden, betekent niet dat de wetgever daarmee eenduidig te kennen heeft gegeven ook overdracht van de naam te willen verbieden. Immers, bij licentie is - anders dan bij overdracht - sprake van gelijktijdig gebruik van de naam door pensioenfonds en derde

 

Geen oneerlijk verkregen concurrentievoordeel
niet kan worden gezegd dat de overdracht van de naam “PGGM” van het Pensioenfonds aan PGGM per saldo heeft geleid tot een concurrentievoordeel, althans tot een op oneerlijke wijze verkregen concurrentievoordeel
Het Pensioenfonds en PGGM hebben echter aangevoerd dat voor de naam “PGGM” door PGGM een marktconforme prijs aan goodwill, verbonden aan die naam aan het Pensioenfonds is betaald, dat deze prijs met behulp van Ernst & Young tot stand is gekomen en dat Deloitte een zogenoemde “fairness opinion” over het bereikte onderhandelingsresultaat heeft afgegeven, terwijl bovendien sprake is van toezicht van de Nederlandsche Bank en de Belastingdienst op de vaststelling van de koopprijs. (...). Ten aanzien van het gestelde voordeel van een grote klantenkring, merkt de voorzieningenrechter op dat het Pensioenfonds en haar uitvoeringsorganisatie (die nu is ondergebracht in PGGM) de gegevens met betrekking tot deze klantenkring ingevolge artikel 6 van de Wet Bpf niet mogen gebruiken voor een ander doel dan het uitvoeren van de pensioenregeling. De deelnemer kan weliswaar een machtiging tot gebruik van zijn gegevens aan het Pensioenfonds verstrekken, maar hij kan die niet alleen verstrekken ten behoeve van PGGM, maar ook ten behoeve van de Verzekeraars. Ook de door de Verzekeraars gestelde omstandigheid dat deelnemers van het Pensioenfonds vanwege het betrouwbare imago van het Pensioenfonds eerder aan PGGM dan aan de Verzekeraars een machtiging zullen verstrekken om aan hen een aanbieding voor producten van de derde pijler te doen, is, als daarvan sprake is, een gevolg van het goede imago van het Pensioenfonds en moet geacht worden in de betaalde marktconforme prijs aan goodwill te zijn verdisconteerd.

 

HANDELSNAAMRECHT

 

Geen misleiding inzake aard onderneming  - art. 5b Hnw
Verzekeraars hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het publiek aan de confrontatie met de naam “PGGM” een onjuiste indruk op het gebied van de aard, het karakter, de betekenis of de voortbrengselen van de onderneming zal overhouden en daardoor zal worden misleid.
De naam “PGGM” geeft op zichzelf aan het publiek niet een indruk over de diensten die de betreffende onderneming aanbiedt. Dit zou anders kunnen zijn indien het publiek de naam “PGGM” zou verstaan als afkorting. In deze afkorting staat de letter P immers voor pensioenfonds. Maar dat hebben de Verzekeraars niet gesteld. Zij stellen zich op het standpunt dat deze onjuiste indruk wordt gewekt door de nawerking (het “na-ijl-effect”) van de bekende naam “PGGM” bij het publiek, dat wil zeggen dat het publiek ook na overdracht van de naam zal blijven denken dat de onder de naam “PGGM” gedreven onderneming een pensioenfonds is. 
Met deze stelling gaan de Verzekeraars eraan voorbij dat het publiek met name met de naam “PGGM” wordt geconfronteerd in haar contacten met de uitvoeringsorganisatie van het Pensioenfonds. Deze uitvoeringsorganisatie is evenwel tezamen met de naam overgedragen. Dit betekent dat onder de naam “PGGM” nog steeds diensten met betrekking tot de pensioenen van het Pensioenfonds zullen worden verricht en aangeboden. PGGM blijft zich bezighouden met de uitvoering van de pensioenregeling. De omstandigheid dat onder de naam “PGGM” sinds 1 januari 2008 tevens andere producten (derde pijler producten) aan het publiek zullen worden aangeboden, maakt dit niet anders, omdat het feit dat onder een handelsnaam ook andere diensten of produkten worden aangeboden dan oorspronkelijk het geval was, het gebruik van die handelsnaam nog niet misleidend maakt.

 

PROCESRECHT

 

Spoedeisend belang
Spoedeisend belang niet vervallen wegens ‘stilzitten’ nu onduidelijk is op welk moment Verzekeraars bekend werden  met naamsoverdracht aan dochterondernemingen die zich met derde pijler producten zouden bezighouden
Het Pensioenfonds en PGGM hebben betwist dat de Verzekeraars voldoende spoedeisend belang hebben bij hun vorderingen. Volgens hen hebben de Verzekeraars nagelaten om op het moment dat zij bekend waren met de naamsoverdracht, alles in het werk te stellen om deze overdracht te voorkomen. Ter zitting is niet in voldoende mate komen vast te staan op welk moment het Pensioenfonds en PGGM aan de Verzekeraars duidelijk hebben gemaakt dat ook naamsoverdracht zou plaatsvinden aan (dochter-)ondernemingen die zich zouden bezighouden met de verkoop van de derde pijler producten. Dit is van belang, nu de Verzekeraars niet zozeer bezwaar hebben tegen naamsoverdracht aan de afgesplitste uitvoeringsorganisatie, maar tegen naamsoverdracht aan ondernemingen die zich bezighouden met de verkoop van de tevens door hen aangeboden derde pijler producten. In het licht hiervan is de conclusie niet gerechtvaardigd dat de Verzekeraars vanwege “stilzitten” geen spoedeisend belang meer bij hun vorderingen hebben.

 

Ontvankelijkheid vorderingen
Bij vorderingen die tegen anderen dan overheidsinstellingen worden ingesteld, geldt als uitgangspunt dat deze vorderingen altijd bij de burgerlijke rechter kunnen worden ingesteld, ook als hetzelfde doel door middel van een bestuursrechtelijke rechtsgang tegen een handhavingsbeslissing van een bestuursorgaan kan of had kunnen worden bereikt

 

Terughoudendheid
Aanleiding voor terughoudendheid in beoordeling wegens ingrijpendheid ‘ongedaanmakings’-vorderingen en bestuursrechtelijke procedures

Ten aanzien van de inhoudelijke behandeling van de vorderingen van de Verzekeraars stelt de voorzieningenrechter voorop dat er in dit kort geding aanleiding is om terughoudend te zijn in de beoordeling van deze vorderingen, in het bijzonder voor zover deze op artikel 5 van de Wet Bpf zijn gebaseerd

 

IEPT20080213, Rb Utrecht, Verzekeraars v PGGM