IEPT20080227, Rb Den Haag, Bettacare v H3 en Wedeka

03-03-2008 Print this page
IEPT20080227, Rb Den Haag, Bettacare v H3 en Wedeka

PROCESRECHT - IPR

 

Bevoegdheid
Rechtbank onbevoegd inzake nietigheid buitenlandse octrooien
Voor zover H3 heeft gevorderd voor recht te verklaren dat enige buitenlands deel van EP 951 nietig is (H3 heeft zich anders dan Wedeka in haar vordering tot vernietiging over te gaan niet tot het Nederlandse deel van EP 951 beperkt), is de rechtbank onbevoegd van het gevorderde kennis te nemen. De geldigheid van een octrooi behoort ingevolge art. 22 lid 4 EEX-Verordening immers tot de exclusieve bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het depot of de registratie heeft plaatsgevonden of geacht wordt te hebben plaatsgevonden.

Rechtbank grensoverschrijdend bevoegd inzake inbreuk, maar de rechtbank dient zich ervan te vergewissen of Bettacare de inbreukprocedure, voor zover zij een grensoverschrijdend verbod vordert, wenst aan te houden in afwachting van een door H3 en/of Wedeka uit te lokken oordeel van de bevoegde buitenlandse rechter
Na het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 13 juli 2006, zaak C-4/03, inzake GAT/LuK, was het vaste rechtspraak van deze rechtbank om zich ter zake van grensoverschrijdende inbreukvorderingen onbevoegd te verklaren, zodra de nietigheid van (de buitenlandse delen van) het betreffende octrooi aan de orde was gesteld, gelijk H3 en Wedeka in het onderhavige zaak met betrekking tot EP 951 hebben gedaan. Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 30 november 2007, LJN: BA9608 (Roche/Primus) blijkt echter dat de rechtbank zich ook ten aanzien van de grensoverschrijdende inbreukvorderingen bevoegd dient te verklaren (ongeacht of de nietigheid van het betreffende octrooi aan de orde is gesteld). De Hoge Raad heeft in rechtsoverweging 2.5.4. van het arrest Roche/Primus in verband met de eventuele gevolgen voor de inbreukvordering ingeval de verweerder in een inbreukprocedure de geldigheid van een ingeroepen, in een andere lidstaat geldend octrooi, respectievelijk van een buitenlands gedeelte van een Europees octrooi aanvecht, immers als volgt overwogen (....).De rechtbank is blijkens deze uitspraak niet alleen bevoegd van de grensoverschrijdende inbreukvorderingen kennis te nemen, de uitspraak brengt tevens mee dat de rechtbank zich ervan dient te vergewissen of Bettacare de inbreukprocedure, voor zover zij een grensoverschrijdend verbod vordert, wenst aan te houden in afwachting van een door H3 en/of Wedeka uit te lokken oordeel van de bevoegde buitenlandse rechter.

 

OCTROOIRECHT

 

Nietigheid
Openbaar voorgebruik niet aangetoond
Naast alle hiervoor genoemde inconsistenties, kan de rechtbank er niet aan voorbijgaan dat, indien juist zou zijn dat H3 en/of Wedeka voor de prioriteitsdatum traphekjes hebben verkocht waarin EP 951 is toegepast, meer en overtuigender bewijsmateriaal voorhanden moet zijn. (...). Het had gelet op deze aantallen toch mogelijk moeten zijn een hekje van voor de prioriteitsdatum boven water te krijgen. De conclusie van het voorgaande is dat H3 en Wedeka er niet in zijn geslaagd aan te tonen dat sprake is van openbaar voorgebruik. Omdat H3 en Wedeka geen, althans onvoldoende, nadere concrete feiten hebben gesteld waaruit openbaar voorgebruik kan volgen, zal de rechtbank aan het bewijsaanbod op dit punt voorbijgegaan.

 

Inbreukmakende versie
Conclusie 1 van het octrooi spreekt in algemene zin van een vergrendeluitsparing (34). Dat de bij het octrooi behorende figuur 1 als voorbeeld uitsparingen in de vorm van een verdieping toont, brengt niet mee dat het octrooi uitsluitend op een uitsparing in die vorm ziet.
De rechtbank is van oordeel dat ook de afgeronde kopse kanten als uitsparingen in de zin van EP 951 kunnen worden aangemerkt. Nu sprake is van samenwerking tussen uitsparingen en uitsteeksels als bedoeld in EP 951, vermag de rechtbank zonder nadere toelichting niet in te zien dat en waarom geen sprake is van een groter draaimoment benodigd om het instelorgaan los te draaien dan om het vast te draaien. Het verschil in draaimoment wordt volgens EP 951 immers bereikt door de samenwerking tussen de uitsparingen en (versterkt door) de verschillende hellinghoeken van de uitsteeksels en de oriëntatie daarvan. Gelet hierop valt niet in te zien waarom een Locking Wheel in combinatie met afgeronde kopse kanten, ervan uitgaande dat overigens aan alle elementen van conclusie 1 van EP 951 is voldaan, niet inbreukmakend is.

 

Niet-inbreukmakende versie
Hellingshoek is wezenlijk element, zodat omkering daarvan niet onder beschermingsomvang valt
Nu in de beschrijving zo expliciet wordt benadrukt dat het grotere moment, benodigd voor het losdraaien, nauw samenhangt met positie van de beide hoeken van de oppervlakten 30 en 32, kan niet gezegd worden dat een ratelmechanisme, waarbij tegen de conclusie en de beschrijving in de hoeken worden omgekeerd, onder de beschermingsomvang van EP 951 valt, ook niet via equivalentie. De gevorderde verklaring voor recht ligt daarom voor toewijzing gereed.


 

IEPT20080227, Rb Den Haag, Bettacare v H3 en Wedeka