IEPT20080319, Rb Den Haag, Monsanto v Cefetra

27-03-2008 Print this page
IEPT20080319, Rb Den Haag, Monsanto v Cefetra

OCTROOIRECHT

 

Sojameel niet inbreukmakend op geoctrooieerde geisoleerde DNA-sequentie
Conclusies 1 en 4 en de daarvan afhankelijke conclusies 2 en 3 respectievelijk 5 claimen telkens bescherming voor een geïsoleerde DNA-sequentie: van inbreuk op deze conclusies kan alleen al daarom geen sprake zijn omdat het DNA niet als geïsoleerde stof voorhanden is maar in het sojameel is opgenomen
Conclusies 1 en 4 en de daarvan afhankelijke conclusies 2 en 3 respectievelijk 5 claimen telkens bescherming voor een geïsoleerde DNA-sequentie. Cefetra en ACTI stellen zich terecht op het standpunt dat van inbreuk op deze conclusies alleen al daarom geen sprake kan zijn omdat het DNA niet als geïsoleerde stof voorhanden is maar in het sojameel is opgenomen. De rechtbank kan Monsanto niet volgen in haar redenering dat de DNA-sequentie uit zijn natuurlijke omgeving - het bacteriële chromosoom - is ingebracht in het DNA van de sojaplant en om die reden het meel van de boon als een geïsoleerde DNA-sequentie beschouwd zou moeten worden dan wel dit zou bevallen. De gemiddelde vakman zal onder het begrip geïsoleerd DNA verstaan DNA dat op de in het vakgebied gebruikelijke wijze is vrijgemaakt uit de cel(kern) van een organisme voor verdere bewerking. Monsanto heeft geen redenen aangevoerd om aan te nemen dat de gemiddelde vakman dit begrip in de context van het octrooi anders dan volgens de gebruikelijke betekenis zou interpreteren.

 

Sojameel geen rechtstreeks verkregen voortbrengsel geoctrooieerde werkwijze
Door crushing-proces worden bonen in een aantal bewerkingsstappen in verschillende componenten met een nieuwe identiteit gescheiden; dat proces is te ingrijpend om nog een rechtstreeks verband tussen de werkwijze en het sojameel aan te nemen

De opvatting dat het sojameel is aan te merken als een rechtstreeks verkregen voortbrengsel door toepassing van de in conclusies 14, 17-19 en 28 geclaimde werkwijzen wordt eveneens verworpen. Voor de sojaplant en de sojabonen zelf kan worden aangenomen dat deze rechtstreeks door de werkwijze zijn verkregen. Door het hiervoor beschreven crushing-proces worden de bonen vervolgens in een aantal bewerkingsstappen in verschillende componenten met een nieuwe identiteit gescheiden. Dit proces is te ingrijpend om nog een rechtstreeks verband tussen de werkwijze en het soja-meel aan te nemen.

 

Bewijs inbreuk
Met de overgelegde producties heeft Monsanto voldoende aangetoond dat de in conclusie 6 gespecificeerde DNA-sequentie in aanmerkelijke hoeveelheden in de lading van de KEOYANG NOBLE aanwezig was
.
Weliswaar voeren Cefetra en Argentinië terecht aan dat een deel van de analyses door Monsanto zelf is uitgevoerd, maar nu zij tegenover de resultaten daarvan geen enkele onderbouwing van hun bezwaren stellen en ook geen aanbod hebben gedaan de juistheid van hun stellingen door een deskundigenrapportage of op andere wijze te bewijzen, ziet de rechtbank geen reden aan de juistheid van het resultaat en de conclusies van de door Monsanto in het geding gebrachte analyses of de herkomst van de monsters te twijfelen. Hier komt nog bij dat de nadere tests als overgelegd niet zijn bestreden, zodat van de juistheid daarvan is uit te gaan.
Minimale hoeveelheid doet niet af aan inbreuk, toevallige verontreinig daargelaten
Zelfs indien zou moeten worden aangenomen dat de DNA-sequentie slechts in minimale hoeveelheden in het sojameel aanwezig is, neemt dat niet weg dat inbreuk op het octrooi van Monsanto wordt gemaakt, indien althans de beschermingsomvang van het octrooi het voortbrengsel, het DNA, als zodanig omvat (welke vraag hierna wordt behandeld). Er is geen reden Monsanto in die situatie haar octrooirecht te ontzeggen, te meer niet omdat het DNA in het sojameel aanwezig is als gevolg van benutten van de door het octrooi geboden voordelen. Mogelijk zou moeten worden geoordeeld dat Monsanto zich niet met beroep op haar octrooirecht tegen verhandeling van het sojameel kan verzetten indien het aanwezige DNA als een toevallige verontreiniging moet worden beschouwd, bijvoorbeeld afkomstig van een eerdere lading. Dat die situatie zich hier voordoet is echter niet gesteld noch is zulks anderszins gebleken.

 

Concept prejudiciële vragen HvJEG inzake uitleg Biotechnologische uitvindingen richtlijn
1. Moet artikel 9 van de Richtlijn aldus worden opgevat dat de in dat artikel geboden bescherming ook dan kan worden ingeroepen in een situatie zoals in deze procedure, waarin het voortbrengsel (het DNA) is verwerkt in een materiaal en zijn functie op het moment van de gestelde inbreuk niet uitoefent, maar wel heeft uitgeoefend of mogelijk, nadat het uit dat materiaal is geïsoleerd en in de cel van een organisme is ingebracht, opnieuw zijn functie zou kunnen uitoefenen?
2. Uitgaande van de aanwezigheid van de in conclusie 6 van het octrooi beschreven DNA-sequentie in het door Cefetra en ACTI in de Gemeenschap geïmporteerde sojameel en ervan uitgaande dat het DNA in de zin van artikel 9 Richtlijn is verwerkt in sojameel en dat het daarin zijn functie niet meer uitoefent:
staat de door de Richtlijn voorgeschreven bescherming van een octrooi voor biologisch materiaal, in het bijzonder artikel 9, eraan in de weg dat de nationale octrooiwetgeving  (daarnaast) absolute bescherming toekent aan het voortbrengsel (het DNA) als zodanig, ongeacht of het DNA zijn functie uitoefent, en moet de bescherming van artikel 9 dus geacht worden uitputtend te zijn?
3. Maakt het bij de beantwoording van de vorige vraag verschil dat het octrooi is aangevraagd en verleend (op 19 juni 1996) voordat de Richtlijn was vastgesteld?
4. Kunt u bij de beantwoording van de voorgaande vragen het TRIPs-verdrag betrekken, in het bijzonder de artikelen 27 en 30?

 

IEPT20080319, Rb Den Haag, Monsanto v Cefetra