IEPT20080403, Hof Den Haag, Playboy v Laporte

Print this page 15-06-2008
IEPT20080403, Hof Den Haag, Playboy v Laporte

MERKENRECHT

 

Geen verval beeldmerk "Play Boy" van Laporte wegens niet normaal gebruik
Uit de aangehaalde rechtspraak volgt dat aan de eis van normaal gebruik wat betreft de kwantiteit van het gebruik van het merk geen hoge eisen mogen worden gesteld.
Niet aannemelijk is geworden dat slechts sprake was van symbolisch gebruik van het merk PLAY BOY door Laporte in de Benelux. Ook indien aangenomen moet worden dat de verkoopomzetten over de relevante periode in verhouding tot wat in de branche gebruikelijk is zeer gering zijn, zoals Playboy stelt, acht het hof de behaalde omzetten voldoende om te oordelen dat sprake is geweest van normaal gebruik van het merk geregistreerd onder nummer 447 801. Daarbij brengt het hof in herinnering dat van niet normaal gebruik pas dan sprake is wanneer binnen de periode van 1983 tot 1989 gedurende een ononderbroken tijdvak van vijf jaren zonder geldige reden geen normaal gebruik is gemaakt van het merk Play Boy (tussenarrest onder 14 en 15). In het licht van de overgelegde facturen en het overzicht van [P], aangevuld door de verklaringen van de getuige [A], is het hof van oordeel dat Laporte in haar bewijsopdracht is geslaagd. Dit merk is dus niet vervallen, althans niet eerder dan in 1994 (vijf jaren nadat Laporte het gebruik heeft gestaakt). Het tweede deel van de bewijsopdracht dat Laporte het merk geregistreerd onder nummer 543 228 in de periode van 21 augustus 1989 tot 21 augustus 1992 normaal heeft gebruikt voor waren in klasse 25 kan dus buiten beschouwing blijven

 

Geen rechtsverwerking nietigheidsvordering Laporte voor woordmerk Playboy voor kleding wegens gedogen
De omstandigheden dat Playboy haar merk wereldwijd ook voor kleding gebruikt en dat zij in diverse landen merkenrechtelijke procedures tegen Laporte aanhangig heeft gemaakt, impliceren niet dat Laporte bekend was met merkgebruik door Playboy voor kleding. Feiten of omstandigheden waaruit die bekendheid wel volgt zijn gesteld noch gebleken
Op 1 januari 1996, dus na het aanhangig maken van de onderhavige zaak, is artikel 14bis BMW (thans artikel 2.28 BVIE) in werking getreden. (…). Artikel 14bis BMW is ingevoegd ter uitvoering van artikel 9 van de Merkenrichtlijn. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 december 1993, NJ 1994, 573 (Michelin) geoordeeld dat artikel 9 lid 1 van de Merkenrichtlijn een scherpe regel omtrent rechtsverwerking introduceert die het geldende recht wijzigt en dat door met betrekking tot voor de vaststelling van de Richtlijn voorgevallen feiten op die nieuwe regel te anticiperen of door het geldende recht in overeenstemming met die Richtlijn uit te leggen, het rechtszekerheidsbeginsel zou worden geschonden. Het hof merkt op dat op grond van de algemene regeling terzake, in dit geval van rechtsverwerking geen sprake kan zijn. Laporte stelt in dit verband dat zij tot 14 juni 1994, bij akte van welke datum Playboy zich op haar merkrechten beriep, er niet mee bekend was dat Playboy haar merken had doen inschrijven voor kleding en dat zij (ook thans nog) niet bekend is met enig gebruik door Playboy van haar merk voor kleding. De omstandigheden dat Playboy haar merk wereldwijd ook voor kleding gebruikt en dat zij in diverse landen merkenrechtelijke procedures tegen Laporte aanhangig heeft gemaakt, impliceren niet dat Laporte bekend was met merkgebruik door Playboy voor kleding. Feiten of omstandigheden waaruit die bekendheid wel volgt zijn gesteld noch gebleken. Of Laporte op de hoogte had kunnen zijn van merkgebruik door Playboy voor kleding kan in het midden blijven. Het niet eerder instellen van een vordering tot nietigverklaring kan niet worden beschouwd als een gedraging op grond waarvan Playboy gerechtvaardigd mocht vertrouwen dat Laporte haar aanspraken op het recht nietigverklaring te vorderen niet (meer) geldend zou maken.

 

Verjaring Laporte's nietigheidsvordering woordmerk Playboy voor kleding

Het recht de nietigheid van het depot in te roepen verjaart na twintig jaar (artikel 3:306 BW). Playboy heeft haar merk onder nummer 328 153 gedeponeerd op 9 september 1974. Het recht om de nietigheid in te roepen is verjaard op 9 september 1994. Laporte heeft haar vordering ingesteld bij dagvaarding van 23 december 1994, derhalve na het verstrijken van de verjaringstermijn.
Het beroep op verjaring slaagt dus ten aanzien van de merkinschrijving onder nummer 328 153. Laporte kan dus niet meer de nietigheid van het woordmerk PLAYBOY inroepen. Bij haar beroep op nietigheid van de overige gelijkluidende woordmerken van Playboy heeft Laporte dan geen belang.

 

PROCESRECHT

 

Bewijskracht partijgetuige
Verklaring partijgetuige heeft beperkte bewijskracht en kan alleen strekken tot aanvulling van onvolledig bewijs
Playboy stelt zich op het standpunt dat zowel Alain als [D] als partijgetuige moet worden aangemerkt. Het hof overweegt dat, voor zover hier van belang, als partijgetuige is aan te merken de statutair bestuurder van Laporte en personen die op andere gronden aan de wet of aan de statuten de bevoegdheid ontlenen om haar in rechte te vertegenwoordigen, een en ander te beoordelen naar het tijdstip waarop de betrokkene als getuige wordt gehoord (HR 22 december 1998, NJ 1997, 22). Laporte is een rechtspersoon naar Frans recht. Het hof kan niet beoordelen in hoeverre de functies van deze getuigen volgens hun verklaringen presidentcommissaris respectievelijk algemeen directeur als personen die aan de statuten de bevoegdheid ontlenen om Laporte in rechte te vertegenwoordigen, moeten worden aangemerkt. Veronderstellenderwijze ervan uitgaande dat dit inderdaad het geval is en dat de getuigen mitsdien beiden partijgetuigen zijn, geldt voor hun verklaringen de beperking ten aanzien van de bewijskracht als bedoeld in artikel 164 lid 2 Rv. Hun verklaringen kunnen dus alleen strekken tot aanvulling van onvolledig bewijs. In dit verband is van belang dat Laporte als bewijs voorts schriftelijke stukken in het geding heeft gebracht.

 

IEPT20080403, Hof Den Haag, Playboy v Laporte