KWEKERSRECHT
Aanspraak op redelijke vergoeding aanvrager
• dat deze wettelijke aanspraak slechts toekomt aan de aanvrager wiens aanvrage uiteindelijk is in-gewilligd en dus tot verlening van kwekersrecht heeft geleid. Gedurende de daaraan voorafgaande periode staat derhalve nimmer vast of de aanvrager ooit aanspraak op de vergoeding zal verkrijgen.
• Indien het ervan is uitgegaan dat [eiseres] ook in of over de periode waarin haar aanvraag hangende was, aanspraak kon maken op een redelijke vergoe-ding op grond van art. 36a Zpw hoewel die aanvrage uiteindelijk is afgewezen, geeft het oordeel van het hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
• Indien het hof de juiste betekenis van art. 36a Zpw niet heeft miskend, valt zonder nadere motive-ring, die ontbreekt, niet in te zien dat en waarom de overeenkomsten tussen partijen aldus zouden moe-ten worden uitgelegd dat [verweerder] de licentievergoeding verschuldigd zou zijn ongeacht het antwoord op de vraag of [eiseres] uiteindelijk kwekersrecht op Hypericum Elegance zou verkrij-gen.
IEPT20091009, HR, Hypericum Elegance