MERKENRECHT
Oppositie op grond van in het economisch verkeer gebruikt teken van meer dan alleen plaatstelijke betekenis
Gerecht ten onrechte geoordeeld
• ten eerste, dat de betekenis van het betrokken teken, die niet louter plaatselijk mag zijn, uitslui-tend dient te worden beoordeeld op basis van de omvang van het grondgebied van bescherming van dit teken, zonder rekening te houden met het ge-bruik ervan op dit grondgebied,
• ten tweede, dat het voor de beoordeling van het gebruik van dit teken relevante grondgebied niet noodzakelijkerwijs het grondgebied van bescher-ming ervan is, en
• ten slotte, dat het gebruik van dat teken niet noodzakelijkerwijs hoeft te hebben plaatsgevonden vóór de datum van de indiening van de gemeen-schapsmerkaanvraag
Mogelijke geldigheid oudere rechten
• Kamer van beroep diende rekening te houden met ingeroepen oudere rechten die in twee lidstaten niet definitief ongeldig waren verklaard en op het tijdstip van de vaststelling van de litigieuze beslis-singen nog steeds golden, zonder de kwalificatie zelf van deze rechten ter discussie te kunnen stellen.
• Ook al dient het BHIM in die omstandigheden, wanneer het zich uitspreekt over een op voormeld artikel 8, lid 4, gebaseerde oppositie, rekening te houden met de beslissingen van de rechterlijke in-stanties van de betrokken lidstaten betreffende de geldigheid of de kwalificatie van de aangevoerde oudere rechten, teneinde na te gaan of deze rechten nog steeds de door deze bepaling vereiste effecten sorteren, kan het zijn beoordeling evenwel niet in de plaats van die van de bevoegde nationale rechterlij-ke instanties stellen, welke bevoegdheid verordening nr. 40/94 hem overigens niet verleent.
”in het economisch verkeer gebruikt”
• Woorden “in het economisch verkeer gebruikt” verwijzen naar gebruik van een ouder recht in de context van een handelsactiviteit waarmee een eco-nomisch voordeel wordt nagestreefd, en niet in de particulier sfeer, dan wel normaal gebruik
Functie: gebruik als merk
• Wat de functie betreft waartoe het gebruik van het teken moet dienen, dient het teken in die zin als onderscheidend bestanddeel te worden gebruikt dat het ertoe strekt, een door de houder ervan uitgeoe-fende economische activiteit aan te duiden, hetgeen in casu niet ter discussie staat.
Oppositie: daadwerkelijk en concreet aanwezige tekens
• Oppositie tegen Gemeenschapsmerk voorbehou-den aan tekens die op de relevante markt daadwer-kelijk en concreet aanwezig zijn
• Hieruit volgt dat het ter onderbouwing van de oppositie ingeroepen teken, teneinde inschrijving van een nieuw teken te kunnen beletten, daadwerke-lijk en op voldoende significante wijze moet worden gebruikt in het economisch verkeer en zich dient uit te strekken tot een geografisch grondgebied dat niet louter plaatselijk is, hetgeen impliceert dat wanneer het grondgebied van bescherming van dit teken als meer dan alleen plaatselijk kan worden beschouwd, dit gebruik plaatsvindt op een groot gedeelte van dit grondgebied.
gebruik teken op elk grondgebied van bescherming vereist
• onjuiste rechtsopvatting dat artikel 8, lid 4, van verordening nr. 40/94 niet verlangt dat het betrok-ken teken wordt gebruikt op het grondgebied van bescherming ervan en dat het gebruik op een ander grondgebied dan het grondgebied waarop het wordt beschermd, kan volstaan, zelfs wanneer het teken op het grondgebied waar het wordt beschermd vol-strekt niet wordt gebruikt.
• De betekenis van het teken kan in casu dus niet worden afgeleid uit een gezamenlijke beoordeling van het gebruik van het teken op de twee relevante grondgebieden, te weten het Oostenrijkse grondge-bied met betrekking tot de bescherming krachtens de betrokken bilaterale verdragen en het Franse grondgebied met betrekking tot de bescherming krachtens de Overeenkomst van Lissabon.
Tijdstip gebruik teken
• hetzelfde tijdscriterium worden toegepast als dat waarin in artikel 8, lid 4, sub a, uitdrukkelijk is voorzien met betrekking de verkrijging van het recht op dit teken, te weten de datum van de indie-ning van de gemeenschapsmerkaanvraag.
Recht om gebruik merk te verbieden
• Hieruit volgt dat het Gerecht in punt 195 van het bestreden arrest terecht heeft geoordeeld dat de op-posant enkel hoeft aan te tonen dat hij over het recht beschikt om het gebruik van een later merk te verbieden en dat van hem niet kan worden verlangd dat hij bewijst dat dit recht ook is uitgeoefend, in die zin dat de opposant erin is geslaagd dat gebruik reeds daadwerkelijk te laten verbieden.
Vaststelling nationaal recht
• Na te hebben vastgesteld dat geen enkele van deze beslissingen gezag van gewijsde had verkregen, heeft het Gerecht in datzelfde punt 192 evenwel ge-oordeeld dat de kamer van beroep zich voor haar conclusie niet uitsluitend op deze beslissingen mocht baseren maar eveneens rekening had moeten hou-den met de door Budvar in het kader van de opposi-tieprocedure ingeroepen bepalingen van nationaal recht, teneinde na te gaan of Budvar krachtens deze bepalingen het recht had om op grond van het inge-roepen teken een later merk te verbieden.
IEPT20110329, HvJEU, Anheuser-Busch v Budějovický Budvar